"Fascinerend zo'n roofvogel. Zweeft hoog in de lucht, houdt zijn prooi haarscherp in de gaten en slaat op het juiste moment toe."

Wwft Ė are you ready?

Op 25 juli 2018 is de vierde Europese anti-witwasrichtlijn geïmplementeerd in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (de Wwft). Deze implementatie brengt ingrijpende wijzigingen voor de kantoororganisatie met zich mee. Om de betrokken instellingen de gelegenheid te geven om de bedrijfsprocessen aan te passen, hebben de toezichthouders van de Wwft laten weten dat zij tot 1 januari 2019 een soepel handhavingsbeleid zullen betrachten bij de navolgende nieuwe bepalingen uit de Wwft:

  • uitbreiding van de PEP (politically exposed person) definitie naar binnenlandse PEP’s (artikel 1 lid 1 Wwft);
  • uitbreiding van de UBO definitie (artikel 1 lid 1 Wwft);
  • aanscherping Wwft risicobeleid (artikel 2b Wwft);
  • risicomanagement (artikel 2c Wwft), bestaande uit gedragslijnen, procedures en maatregelen om de geïdentificeerde risico’s beheersbaar te maken;
  • en voor zover van toepassing de compliance functie en audit functie (artikel 2d Wwft).


De termijn van 1 januari 2019 nadert met rasse schreden. Bovendien heeft het BFT de nieuwe leidraden voor de Wwft gepubliceerd. Ook de bijlagen bij deze richtlijnen zijn geactualiseerd. Deze bijlagen bevatten voorbeelden bij de Wwft van de subjectieve indicator en een tien-stappenplan om richting te geven bij de nakoming van verplichtingen van de Wwft. Het is dus tijd om de balans op te maken. Is uw organisatie klaar voor de Wwft 2019?

Aandachtspunten

Nu wij in onze praktijk regelmatig te maken krijgen met casusposities, die verband houden met Wwft, delen wij graag enkele aandachtspunten.

  • Bij een controle van het BFT is het van belang om ervoor te zorgen dat een representatieve steekproef wordt gedaan. Indien (onverhoopt) een omissie wordt geconstateerd bij de cliëntonderzoeken, dan is de boete immers afhankelijk van de hoeveelheid dossiers waarin deze onregelmatigheid wordt geconstateerd. Dit is af te leiden uit het boetebeleid van het BFT (zie voor meer informatie onze website). Ook moet daarbij in het oog worden gehouden dat de reikwijdte van de identificatieplicht nog steeds in ontwikkeling is. Een pleitbaar verschil van inzicht over deze reikwijdte zou naar onze mening niet direct tot een boete moeten leiden.

  • Het valt op dat het BFT in de richtlijnen vooral refereert aan voorbeelden uit de jurisprudentie, waaruit een meldplicht blijkt. Er wordt niet meegenomen dat in enkele zaken ook werd geoordeeld dat van een ongebruikelijke transactie geen sprake was. Zo wordt in de leidraad gerefereerd aan een uitspraak van het CBB, waarin werd geoordeeld dat een melding had moeten worden gedaan wegens een vermoeden van fiscale fraude, terwijl in die zaak ook door het CBB wordt geoordeeld dat ten aanzien van een tweetal leningen geen meldplicht gold (CBB 29 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:233). Het enkele feit dat een risicofactor in de leidraad van toepassing is, wil dus niet altijd zeggen dat sprake is van een ongebruikelijke transactie.

  • In dit kader kan ook nog worden gewezen op een uitspraak van de strafkamer van het Hof Den Bosch inzake de strafrechtelijke vervolging van de suppletieplicht (Hof Den Bosch 10 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2879). In die uitspraak oordeelt het Hof dat de suppletieplicht in strijd is met het nemo tenetur beginsel. De vraag doet zich voor of hiermee ook een parallel kan worden getrokken met de meldplicht uit de Wwft en het nemo tenetur beginsel. Deze discussie is zijdelings aan de orde geweest in de parlementaire geschiedenis van de Wwft, waarbij het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het in de praktijk zelden een beletsel voor vervolging wegens witwassen vormt aangezien in gevallen waarin de meldende instelling zelf betrokken is bij witwaspraktijken, het meldingsbericht als strafrechtelijk bewijs voor witwassen overbodig is omdat langs andere weg bewijs van het plegen van witwassen kan worden geleverd.[1] Die redenering lijkt ons echter de omgekeerde wereld.

  • Ten slotte is nog van belang om na te gaan op welke wijze follow-up wordt gegeven aan een melding bij FIU Nederland. In artikel 34 van de Wwft is opgenomen dat de instelling alle gegevens bewaart, die nodig zijn om de transactie te reconstrueren, een afschrift van de melding en de ontvangstbevestiging gedurende vijf jaar na de melding. Het komt regelmatig voor dat FIU Nederland de melding doorzet naar de Belastingdienst, de FIOD, of een andere opsporingsdienst of toezichthoudende instantie. In de praktijk is gebleken dat de betreffende instantie niet in alle gevallen al heeft bepaald op welke wettelijke grondslag nadere informatie wordt opgevraagd bij de meldende instelling. Voordat verdere medewerking wordt verleend, is het dus van belang om daar helderheid over te krijgen.

    Blijf op de hoogte
    Kortom, de verplichtingen uit de Wwft drukken zwaar op de organisatie van fiscale en financiële dienstverleners en het toezicht daarop wordt steeds gerichter en intensiever. Het is dan goed om in de gaten te houden welke discussies hierbij kunnen spelen om met een controle of melding en eventuele gevolgen daarvan zorgvuldig om te kunnen gaan.

 

[1] Kamerstukken I 2012-2013, 33 238, nr. D, p. 2.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}