"Ik zorg voor een sterke verdediging en ben aanvallend waar nodig."

Wijziging van wijziging ďoverige fiscale maatregelen 2019Ē

De derde dinsdag van september is weer voorbij. Zoals was te verwachten zijn onder meer de overige fiscale maatregelen 2019 bekend gemaakt, met daarin een voorstel tot wijziging van een aantal formeelrechtelijke fiscale bepalingen.

In Hertoghs Beschouwt van 31 juli 2017 (“Nieuwe aanpak van belastingontduiking: een gerechtvaardigde overheidsinterventie?”) gingen wij al in op de ideeën die ter consulatie voorlagen en die nu tot dit wetsvoorstel hebben geleid.

In deze Hertoghs beschouwt gaan we in op één van de vele voorstellen die zijn gedaan, namelijk de bepaling omtrent de bekendmaking van belastingaanslagen ten name van vennootschappen die niet meer bestaan of vermoed worden niet meer te bestaan.
 

Bekendmaking belastingaanslag
Het huidige artikel 8 Invorderingswet 1990 bepaalt dat het de Ontvanger is die de belastingaanslag bekend maakt door verzending of uitreiking van het door de Inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. De belastingschuldige is degene op wiens naam de belastingaanslag is gesteld.[1]

Voor de invordering van de belasting is het voor de Ontvanger dus van belang dat deze bekendmaking goed gebeurt. Ook in verband met de mogelijkheid om derden aansprakelijk te stellen voor de betreffende belastingschuld. Aansprakelijkstelling kan namelijk niet eerder plaatsvinden dan nadat de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van de belastingschuld. En daar wrong voor de ontvanger de schoen als het ging om een belastingaanslag op naam van een vennootschap die niet meer bestond.

Eind 2009 heeft de Hoge Raad[2] de Ontvanger in een bestuurdersaanspakelijkheidskwestie een handje geholpen door te oordelen dat indien een vennootschap is ontbonden wegens gebrek aan baten, het vasthouden aan de formele eis dat de aanslag dan nog bekend moet worden gemaakt geen door de Invorderingswet 1990 gewaarborgd belang van de aansprakelijkgestelde is en af zou doen aan het doel van de wettelijke regeling inzake bestuurdersaansprakelijkheid. Alleen in de situatie dat de vereffening had plaatsgevonden terwijl daarvoor nog wel baten aanwezig waren, diende de Ontvanger om heropening van de vereffening te verzoeken, waarna hij tot bekendmaking van de belastingaanslag kon overgaan. Dit was voor ‘Den Haag’ blijkbaar nog niet voldoende en te veel gedoe. Vandaar dat nu een andere wijze van bekendmaking is voorgesteld in de overige fiscale maatregelen 2019.
 

Voorgestelde alternatieve bekendmaking
In afwijking van de nu bestaande regeling wordt nu in een nieuw lid 2 van artikel 8 Invorderingswet 1990 de Ontvanger de mogelijkheid geboden een belastingaanslag ten name van een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan, bekend te maken door verzending of uitreiking aan (samengevat) het Openbaar Ministerie (verder OM). Met deze bekendmaking aan het OM vangt ook de bezwaartermijn aan, alsmede de betaaltermijn.

Omdat bekendmaking aan het OM er niet toe zal leiden dat belanghebbenden bekend worden met deze belastingaanslag en de daaraan gekoppelde termijnen, is in aanvulling op vorenstaande voorgesteld dat de Ontvanger dan “zo spoedig mogelijk” de naam van de belastingschuldige, de soort belastingaanslag, het betreffende jaar en de dagtekening van de belastingaanslag ter publicatie aan de Staatscourant zendt of uitreikt. In dat geval dient ook een kopie van het aanslagbiljet te worden verzonden of uitgereikt aan “de laatste bestuurders, aandeelhouders en vereffenaars van de belastingschuldige (…) voor zover die redelijkerwijs bij de ontvanger bekend kunnen zijn”. Hier wringt wat ons betreft de schoen.
 

Zo spoedig mogelijk
“Zo spoedig mogelijk” is een termijn die bijvoorbeeld ook in artikel 6:5 Awb wordt genoemd, waarmee volgens de Hoge Raad in die context twee weken wordt bedoeld. In de praktijk blijkt nog wel eens dat post er vanuit de Belastingdienst (veel) langer over doet dan de gebruikelijke één dag. De bezwaartermijn wordt daardoor onnodig verkort voor belanghebbenden. Immers blijven er dan nog maar enkele weken over om bezwaar te maken.

In het voorstel van wet wordt in het nieuwe lid d van artikel 26a AWR een uitbreiding van het belanghebbende-begrip voorgesteld. Waar eerst alleen degene aan wie de belastingaanslag is verstuurd als belanghebbende werd aangemerkt, worden bij het nieuwe voorstel van wet ook “de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar” aangemerkt als belanghebbenden in het geval de belastingaanslag bekend wordt gemaakt op grond van het nieuwe lid 2 van artikel 8 invorderingswet 1990. Vraag is waarom de wetgever er voor zou kiezen om wel nieuwe belanghebbenden toe te voegen aan het (dan minder) gesloten stelsel van rechtsbescherming in de AWR, maar aan de andere kant deze belanghebbenden te beperken in hun recht op bezwaar en beroep voor zover het de termijn betreft. De termijn van zes weken zal immers al starten terwijl de belanghebbenden nog (lang) niet op de hoogte zijn van het aanslagbiljet.

Ons inziens zou “zo spoedig mogelijk” moeten worden vervangen door “op dezelfde dag”. Alleen dan wordt recht gedaan aan de belangen van de nieuwe belanghebbenden en de wellicht toch nog bestaande vennootschap.

 

 

[1] Artikel 2, lid 2, onder k, Invorderingswet 1990.

[2] HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR2009:BJ4910.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}