"Ik zorg voor een sterke verdediging en ben aanvallend waar nodig."

Rechtsbescherming bij internationale inlichtingenuitwisseling in de lift

Hof Amsterdam 21 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1591

HvJ EU 16 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:373

De rechtsbescherming bij internationale inlichtingenuitwisseling lijkt ver te zoeken, terwijl de mogelijkheden om informatie uit te wisselen aanzienlijk zijn verruimd en nog verder worden uitgebreid in de nabije toekomst. De kennisgeving van de inlichtingenuitwisseling aan de belastingplichtige is afgeschaft en inzage in correspondentie tussen staten, waaronder het verzoek zelf, wordt veelal geweigerd in de procedure tegen een belastingaanslag.

 

Met twee recente uitspraken van Hof Amsterdam en het Hof van Justitie van de Europese Unie is er weer enige verbetering te zien.

 

In de zaak van Hof Amsterdam is aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd in verband met onterechte toepassing van het nultarief. Het onderzoek naar belanghebbende is gestart op verzoek van de Belgische autoriteiten. Hof Amsterdam oordeelt dat het Belgische verzoek om een onderzoek te starten wel degelijk tot de op de zaak betrekking hebbende stukken hoort en dat de inspecteur dit in beroep had moeten inbrengen in de procedure (vgl. HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:29, BNB 2013/226). Nu het document alsnog in hoger beroep ter beschikking is gesteld en er geen verschil van mening meer bestond over de inhoud en waardering van het stuk, verbindt het hof hieraan geen processuele gevolgen.

 

Dan de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie. In het kader van een belastingonderzoek van een Franse vennootschap heeft de Franse belastingdienst in 2014 aan de Luxemburgse belastingdienst een verzoek om inlichtingen over de Luxemburgse moedermaatschappij toegezonden. Op verzoek van de Luxemburgse belastingautoriteiten heeft de moedermaatschappij alle gewenste inlichtingen verstrekt, met uitzondering van de namen en adressen van haar aandeelhouders, het bedrag van de aandelen van elke aandeelhouder en het participatiepercentage van elke aandeelhouder. Volgens de moedermaatschappij waren deze inlichtingen niet van belang voor het belastingonderzoek dat door de Franse belastingdienst werd verricht. Aan de moedermaatschappij wordt een boete opgelegd, omdat zij niet aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan. Dit leidt tot de procedure bij het hof.

 

Een voor de Nederlandse praktijk relevante overweging betreft de omvang van de toets van de rechter en de samenstelling van het procesdossier.

 

Degene tot wie een verzoek om inlichtingen is gericht, moet voor een rechter kunnen aanvoeren dat het inlichtingenverzoek niet met de richtlijn in overeenstemming is. Het Hof voegt daaraan toe dat de autoriteiten van de aangezochte lidstaat zich niet dienen te beperken tot een beknopte en formele verificatie van de regelmatigheid van het inlichtingenverzoek, maar zich er ook van moeten vergewissen dat het bij de gevraagde inlichtingen niet aan een verwacht belang voor het belastingonderzoek ontbreekt, gelet op de identiteit van de belastingplichtige naar wie het onderzoek is ingesteld en het doel van dat onderzoek. Ook moet de rechter van de aangezochte lidstaat de wettigheid van het verzoek kunnen toetsen, maar hij mag alleen nagaan of het bevel berust op een voldoende met redenen omkleed verzoek betreffende inlichtingen waarbij het niet kennelijk aan een verwacht belang voor het betrokken belastingonderzoek blijkt te ontbreken. 

 

Tot slot oordeelt het Hof dat de rechter, om zijn rechterlijk toezicht te kunnen uitoefenen, toegang moet hebben tot het inlichtingenverzoek en enige aanvullende inlichtingen die door de autoriteiten van de verzoekende lidstaat aan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat zijn toegezonden. Het Hof voegt daaraan toe dat ten opzichte van de justitiabele daarentegen wel de geheime aard van de gevraagde inlichtingen kan worden ingeroepen, zodat laatstgenoemde geen recht op toegang tot dit verzoek in zijn geheel heeft. Om zijn zaak eerlijk te kunnen laten behandelen, moet de justitiabele echter wel toegang hebben tot de wezenlijke informatie in het inlichtingenverzoek (namelijk de identiteit van de belastingplichtige in kwestie en het fiscale doel waarvoor de informatie wordt opgevraagd). In dat kader kan de rechter hem bepaalde andere inlichtingen verstrekken wanneer hij van oordeel is dat die wezenlijke informatie niet volstaat.

 

In de praktijk maken wij regelmatig mee dat Nederlandse belastingplichtigen geconfronteerd worden met omvangrijke inlichtingenverzoeken, waarbij bedrijfsgevoelige informatie dient te worden verstrekt en dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij een internationaal verzoek tot verstrekking van inlichtingen, met name in relatie tot de reikwijdte van het verzoek en het belang daarvan voor de belastingheffing in het buitenland.

 

Deze jurisprudentie geeft derhalve ook voor de Nederlandse praktijk de nodige aanknopingspunten om een verzoek tot verstrekking van inlichtingen kritisch tegen het licht te houden en zo nodig aan de rechter voor te leggen.

 

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}