ďIk vecht voor mijn cliŽnt met vlijmscherpe pleidooien."

Jaarverslag Hoge Raad: ontwikkelingen belastingkamer

Rechtsbescherming

Uit het jaarverslag blijkt dat de Hoge Raad zich focust op de zaken die er toe doen. Daarbij is terughoudendheid getoond in zaken waarin de Hoge Raad geen constructieve rol kan spelen met het oog op rechtsontwikkeling of rechtseenheid. De terughoudende taak ziet dus op de andere taak van de Hoge Raad, het bewaken van de rechtsbescherming. Of dit ook geldt voor de Belastingkamer van de Hoge Raad wordt in het verslag niet duidelijk. Wij menen dat de Belastingkamer ook een belangrijke rol heeft bij het bewaken van de rechtsbescherming. In civiele zaken en strafzaken wordt een cassatieprocedure altijd door een advocaat gevoerd. In civiele zaken sinds 1 juli 2012 zelfs alleen door een advocaat bij de Hoge Raad[1]. Gelet op het specialistische karakter van de cassatieprocedure worden alleen advocaten toegelaten die voldoende ervaring met cassatiezaken hebben en een examen hebben afgelegd. In belastingzaken is alleen voor het voeren van een pleidooi vertegenwoordiging door een advocaat vereist. Verder is in belastingzaken in het geheel geen procesvertegenwoordiging vereist. Dit contrast is groot met de gang van zaken in civiele cassatieprocedures. Gelet hierop menen wij dat in het bijzonder de Belastingkamer van de Hoge Raad de rechtsbescherming goed moet blijven bewaken. Een systeem waarbij er nadrukkelijk voor is gekozen dat een ieder een cassatieprocedure mag voeren strookt niet met het minder aandacht besteden aan rechtsbescherming van de individuele belastingplichtige. Degene die zonder enige ervaring cassatie instelt en niet gewezen wordt op de beperkingen mag verwachten dat zijn belangen door de cassatierechter in het oog worden gehouden.

 

Rechtsontwikkeling

In het kader van de rechtsontwikkeling is het goed om te zien dat de Hoge Raad positief reageert op de toekomstige mogelijkheid voor de Hoge Raad om advies te vragen aan het EHRM over principiële vragen.[2] De Hoge Raad acht het een welkome uitbreiding van de mogelijkheden tot communicatie met het EHRM. Door het stellen van vragen aan het EHRM kan de Hoge Raad het risico vermijden dat hij een vraag van uitleg van het EVRM of een van de Protocollen waarop de rechtspraak van het EHRM geen duidelijkheid geeft beantwoordt, waar jaren later blijkt dat het EHRM het EVRM of de Protocollen anders interpreteert. Doordat de Hoge Raad positief tegenover de mogelijkheid staat vragen aan het EHRM te stellen, zal deze mogelijkheid daadwerkelijk worden gebruikt en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de rechtsbescherming en rechtsontwikkeling.

 

Rechtseenheid

Ten aanzien van de rechtseenheid wordt opgemerkt dat nu het wetsvoorstel over de hervorming van de hoogste bestuursrechtspraak is ingetrokken de vraag speelt hoe in de toekomst wordt voorzien in de met het wetsvoorstel beoogde rechtseenheid binnen de bestuursrechtspraak. Opgemerkt wordt dat in ieder geval de samenwerking tussen de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verder zal worden geïntensiveerd. Een nadeel is dat deze samenwerking zich achter de schermen afspeelt. Wel wordt door conclusies van de staatsraad advocaat-generaal meer inzicht gegeven in de rechtseenheid en de afwijkingen tussen de verschillende instanties die over het bestuursrecht oordelen. Een recent voorbeeld is de conclusie van 12 april 2017[3] waarin hij een aantal vragen over het geven van verklaringen in relatie tot het zwijgrecht beantwoordt.

 

Nieuwe procedures

Voorts heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in het jaar 2016 veel tijd besteed aan de implementatie van de nieuwe prejudiciële procedure[4] waarbij feitenrechters rechtsvragen aan de Hoge Raad kunnen voorleggen. Op de website van de Hoge Raad is een overzicht opgenomen van de gestelde prejudiciële vragen in cassatiezaken[5]. Ook is gewerkt aan werkprocessen voor de sinds 1 juli 2016 ingevoerde mogelijkheid om bij de Hoge Raad cassatie in te stellen tegen uitspraken in belastingzaken van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Curacao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Op vrijdag 23 juni 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen dat ziet op een in Aruba opgelegde aanslag winstbelasting (ECLI:NL:HR:2017:1130). Dit arrest zag op een aanslag waarbij een correctie op de aangifte was toegepast zonder aankondiging. De belanghebbende voerde aan dat dit tot vernietiging van de gehele aanslag moet leiden. De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 10, lid 3 van de Algemene landsverordening belasting het nalaten van het doen van een mededeling over de correctie niet tot nietigheid van de aanslag leidt. Een mooi voorbeeld om te zien hoe de belastingkamer van de Hoge Raad recht spreekt in cassatie op uitspraken van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van het Caribisch deel van het Koninkrijk.

 

Geselecteerde arresten en conclusies

Tot slot is in het jaarverslag door de drie kamers van de Hoge Raad een aantal maatschappelijk belangwekkende arresten en conclusies geselecteerd. Opvallend is dat de Hoge Raad met name arresten maatschappelijk belangwekkend vindt die een internationale component bevatten. Hoewel de belanghebbenden geen gelijk kregen, zijn de arresten over de crisisheffing en de box 3-heffing en strijd met artikel 1 EP, EVRM wel belangrijk voor de maatschappij. Hieruit blijkt dat het de moeite blijft om na te gaan of ten aanzien van onredelijke wetgeving kan worden betoogd dat deze in strijd is met een internationaal verdrag zoals artikel 1 EP, EVRM of het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Zo is het bijvoorbeeld de vraag of de 300% boeten die alleen zijn ingevoerd voor de gevallen waarin te weinig box 3-belasting is geheven hieraan voldoen.

 

Ook is het belangrijk in procedures goed na te gaan of bijvoorbeeld het Handvest van toepassing is en een beroep kan worden gedaan op de grondrechten daaruit, zoals het verdedigingsbeginsel of de onschuldpresumptie. Dit is met name relevant nu de onschuldpresumptie in het Handvest een ruimer toepassingsbereik heeft dan op grond van artikel 6 van het EVRM.

 

Tot slot geldt dat het sinds de invoering van artikel 80a AWR steeds belangrijker is geworden om in cassatieprocedures te blijven benadrukken wat het belang in cassatie is. Daarbij kan worden gedacht aan het schetsen van de achtergrond van de regeling, tegenstrijdige jurisprudentie en het belang van de zaak voor de praktijk. Waar loopt de praktijk bij toepassing van de regeling tegenaan? Wat zou het gevolg zijn als de hofuitspraak in stand blijft? Kortom, genoeg uitdaging voor de gemachtigde in cassatiezaken, waarover ons cassatieteam uiteraard graag met u van gedachten wisselt.
 

[1] Artikel 407, lid 3, Rv juncto artikel 9j, lid 1 Advocatenwet.

[2] Voor een uitwerking van deze toekomstige mogelijkheid verwijs ik naar het artikel van A.J.C. Perdaems, Hoge Raad en grondrechten: EHRM of Hof van Justitie EU, WFR 2017/15.

[3] ECLI:NL:RVS:2017:1034

[4] Voor meer informatie over deze procedure verwijzen wij naar de column van mr. A.J.C. Perdaems, Nieuw: prejudiciële vragen aan Belastingkamer Hoge Raad, Taxlive, columns.

[5] https://www.hogeraad.nl/prejudiciele-vragen?Filter.Rechtsgebied=3

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}