"Fiscale advocatuur is ook een tactische strijd: wij hebben de kennis en ervaring om te beslissen welke stappen leiden naar succes."

HvJ EU geeft ruime uitleg aan standstillbepaling: voortvarendheidseis niet van toepassing

Naar aanleiding van HvJ EU 15 februari 2017 C-317/15.

Sinds 10 april 2015 (HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:913) lag de vraag bij het HvJ EU of de zogenoemde standstillbepaling ziet op de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR.

Het HvJ EU heeft (eindelijk) de knoop doorgehakt en komt tot het oordeel dat de standstillbepaling van toepassing is op de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR. Het hof antwoordt daarnaast dat het openen van een effectenrekening bij een bankinstelling valt onder het begrip kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten als bedoeld in artikel 64, lid 1, VwEU. Hiermee valt het doek voor de belanghebbende. Dit betekent namelijk dat het vrij verkeer van kapitaal niet van toepassing is op derde landen voor zover het gaat om de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR ten aanzien van in derde landen bij een bankinstelling aangehouden vermogen.

In artikel 64, lid 1, VwEU - de zogenoemde standstillbepaling – is bij het invoeren van het vrij verkeer van kapitaal overgangsrecht geformuleerd. Daarin is bepaald in welke gevallen het vrij verkeer van kapitaal van artikel 63 VwEU niet van toepassing is op derde landen. Het HvJ EU oordeelt nu dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR onder de standstillbepaling valt als het gaat om navordering ten aanzien van bij een bankinstelling aangehouden vermogen.

Het belang van dit antwoord is groot aangezien er tal van zaken aanhangig zijn – met name in relatie tot Zwitserland - waarin deze vraag speelt. In deze zaken is een beroep gedaan op het vrij verkeer van kapitaal teneinde een beroep te kunnen doen op het voortvarendheidsvereiste. Het voortvarendheidsvereiste is door de Hoge Raad ontwikkeld nadat het HvJ EU[1] eerder oordeelde dat het vrij verkeer van kapitaal wordt geschonden indien voor in het buitenland aangehouden tegoeden een langere navorderingstermijn wordt toegepast dan voor in Nederland aangehouden tegoeden wordt toegepast. Deze schending kan volgens het HvJ EU in bepaalde gevallen worden gerechtvaardigd. De Hoge Raad heeft dit oordeel van het HvJ EU in zijn arrest van 26 februari 2010[2] toegepast. De rechtsregels die de Hoge Raad heeft gegeven worden aangeduid als het voortvarendheidsvereiste.

Indien de inspecteur bij het opleggen, voorbereiden en vaststellen van de aanslag niet voortvarend handelt, dienen de navorderingsaanslagen te worden vernietigd. Voor aanslagen die ten aanzien van in Zwitserland aangehouden vermogen niet voortvarend zijn opgelegd, is het daarom cruciaal of een beroep op het vrij verkeer van kapitaal kan worden gedaan.
 

De Hoge Raad dient het arrest van het HvJ EU toe te passen. Gelet op de duidelijke bewoordingen van het HvJ EU is er weinig ruimte voor de Hoge Raad en verwachten wij dat de Hoge Raad zal oordelen dat het vrij verkeer van kapitaal niet van toepassing is voor zover de navorderingsaanslagen zien op de in Zwitserland aangehouden bankrekening.

 

Dit arrest heeft echter niet tot gevolg dat in relatie met derde landen geen beroep op het vrij verkeer van kapitaal meer kan worden gedaan. Het arrest ziet op de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR in combinatie met bij een bankstelling aangehouden vermogen waardoor is voldaan aan het vereiste van het verrichten van financiële diensten als bedoeld in artikel 64 VwEU. Voor elke situatie afzonderlijk zal moeten worden beoordeeld of deze onder de standstillbepaling van artikel 64 VwEU valt. In dat geval kan geen beroep op het vrij verkeer van kapitaal worden gedaan.

Uit dit arrest van het HvJ EU valt op te maken dat het HvJ EU de standstillbepaling ruim uitlegt. Een voorbeeld waarin het vrij verkeer van kapitaal ons inziens wel van toepassing is bij derde landen betreft de onbeperkte navorderingsbevoegdheid van artikel 66, lid 3, Sw. De uitzonderingen die in artikel 64 VwEU zijn opgenomen voor derde landen zijn ons inziens niet van toepassing omdat de bevoegdheid om onbeperkt na te vorderen in 1993 nog niet bestond. Doordat deze bepaling toen nog niet bestond, kan het overgangsrecht daarop niet van toepassing zijn. Dit heeft ons inziens tot gevolg dat bij vererfd vermogen dat in lidstaten en in derde landen wordt aangehouden, kan worden betoogd dat de toepassing van een onbeperkte navorderingstermijn in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal.

Verwijzingen:

[1] HvJ EU 11 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:368, BNB 2009/222.

[2] HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}