ďPassie voor het recht, inleven in de positie van mijn cliŽnt, doordachte juridische argumenten vinden - dat is wat mij drijft.Ē

Hof van Justitie: toepassing Europese indelingsverordening niet noodzakelijk en mogelijk

N.a.v. arrest van het HvJ EU van 26 april 2017, C-51/16, ECLI:EU:C:2017:298

 

Het douanerecht is meer dan andere fiscale aandachtsgebieden gebaseerd op Europese en internationaal vastgestelde regels. Zo wordt bijvoorbeeld het douanetarief bij invoer in Nederland vastgesteld op basis van Europese bepalingen. De grondslag vormt een in 1987 door de Europese Raad vastgestelde verordening ter zake van de tariefnomenclatuur (1). Op grond van deze verordening werd een goederennomenclatuur ingesteld, namelijk de Gecombineerde Nomenclatuur (“GN”). Deze goederenlijst met codes is opgenomen als bijlage bij de bovenvermelde verordening. Achter elke GN-code wordt het douanetarief vermeld dat bij invoer in de EU van toepassing is.

 

De Europese Commissie heeft een ruime bevoegdheid gekregen om de GN te verduidelijken door bijvoorbeeld aanvullende aantekeningen op de GN vast te stellen of zogenoemde indelingsverordeningen uit te vaardigen. Bij indelingsverordeningen wordt een omschrijving gegeven van een specifiek product waaraan een GN-code wordt gekoppeld. Ook is daarbij een motivering opgenomen hoe tot de indeling onder een bepaalde GN-code is gekomen. Een indelingsverordening heeft een algemene strekking en is van toepassing op alle producten die identiek zijn aan het product dat is onderzocht. In de praktijk wordt een indelingsverordening ook naar analogie toegepast op producten die vergelijkbaar zijn met de producten waarop die verordening betrekking heeft.

 

In het douanerecht leidt de indeling van een goed in de GN – of te wel het toe te passen douanetarief van een product – geregeld tot discussie tussen de douaneautoriteiten en een importeur. In veel douaneprocedures – van de rechtbank tot aan de Hoge Raad (met een eventuele prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie EU in Luxemburg (HvJ EU) – staat dan ook de vraag centraal onder welke goederencode in de GN een product moet worden ingedeeld.

 

Zo heeft het HvJ EU – naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Noord-Nederland – onlangs een voor de douanepraktijk interessant arrest gewezen, met name omdat daarin de verhouding tussen een indelingsverordening van de EC en de GN zelf tot uitdrukking komt (ECLI:EU:C:2017:298).

 

In deze procedure van het HvJ EU stond de indeling van zogenoemde medische implantaatschroeven centraal. Deze schroeven waren uitsluitend bestemd om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses. De Europese Commissie had in 2014 voor schroeven – die grote overeenkomsten vertoonden met de schroeven in dit geschil – een indelingsverordening afgegeven. Volgens die verordening diende een schroef bestemd voor chirurgie, gelet op zijn objectieve eigenschappen en kenmerken, te worden ingedeeld als “een deel voor algemeen gebruik” onder tariefpost 8108.

 

Omdat de schroeven grote overeenkomsten vertoonden met de schroeven uit de indelingsverordening was de inspecteur van mening dat de tariefindeling uit de indelingsverordening moest worden gevolgd. De rechtbank Noord-Nederland was echter van oordeel dat deze implantaatschroeven  – gelet op hun objectieve eigenschappen en kenmerken – in aanmerking kwamen voor indeling onder GN-post 9021 (“orthopedische artikelen en toestellen, alsmede artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel”), maar zag zich ook geconfronteerd met de indelingsverordening van de Europese Commissie die indeling onder post 9021 juist uitsluit.

 

De rechtbank Noord-Nederland wenste van het HvJ EU dan ook (onder meer) te vernemen of de indelingsverordening van de Europese Commissie wel geldig was. Een – gelet op het arrest van het HvJ EU van 4 maart 2004, Krings, C-130/02 (2) – voor de hand liggende vraag. Juist in dat arrest was bepaald dat een indelingsverordening van de EC niet alleen betrekking heeft op identieke producten, maar dat een analoge toepassing van een indelingsverordening op andere producten een coherente uitlegging van de GN en gelijke behandeling van de deelnemers aan het economisch verkeer bevordert. Met andere woorden: een indelingsverordening geldt niet alleen voor identieke producten, maar heeft een bredere strekking en geldt ook voor soortgelijke producten. Dergelijke producten worden dus overeenkomstig deze indelingsverordening ingedeeld, tenzij de indelingsverordening ongeldig is vanwege strijdigheid met de GN.

 

Opmerkelijk is dat het HvJ EU in haar recente arrest de vraag over de geldigheid van de indelingsverordening niet beantwoordt, maar eerst zelf beoordeelt waar de implantaatschroeven moeten worden ingedeeld.

 

Het HvJ EU komt vervolgens tot de conclusie dat de implantaatschroeven onder GN-post 9021 vallen, omdat deze producten – door hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid, hun wijze van vervaardiging en specifieke functie – kenmerken hebben die zich onderscheiden van gewone producten. Daarbij speelt ook een belangrijke rol dat medische implantaatschroeven enkel in het lichaam kunnen worden ingebracht met behulp van specifieke medische instrumenten en niet met gewone instrumenten.

 

Vervolgens stelt het HvJ EU vast dat de indelingsverordening van de EC (die indeling onder GN-post 8108 voorschrijft), betrekking heeft op producten die – gelet op hun objectieve uiterlijke kenmerken – niet identiek zijn aan de onderhavige implantaatschroeven.

 

Het HvJ EU herinnert vervolgens aan het hierboven vermelde arrest Krings, maar overweegt dat een dergelijke toepassing naar analogie niet noodzakelijk en evenmin mogelijk is, wanneer het Hof aan de verwijzende rechter alle benodigde gegevens heeft verstrekt voor de indeling van een product onder de juiste GN-post. De indelingsverordening was dus niet relevant en het HvJ EU behoefde zich dus niet uit te laten over de geldigheid daarvan.

 

Wij ondersteunen deze benadering van het HvJ EU van harte. In de eerste plaats dient een specifiek product te worden ingedeeld aan de hand van de GN. De indelingsverordening met betrekking tot een soortgelijk product is vervolgens niet relevant indien de beoordeling van de indeling voor een specifiek product tot een andere GN-post heeft geleid.

 

Dit arrest kan zeker ook gevolgen voor de praktijk hebben. Importeurs doen er verstandig aan te beoordelen in hoeverre bij de indeling van hun producten een (ongunstige) indelingsverordening voor soortgelijke producten is of wordt gebruikt, terwijl zelfstandige indeling aan de hand van de GN wellicht tot een gunstiger douanetarief leidt. Uiteraard kan deze beoordeling (eventueel) tot discussie leiden met de douaneautoriteiten. In dat geval zijn er verschillende mogelijkheden om de indeling voor te leggen aan de rechter. Wij hebben geruime ervaring met het voeren van fiscale procedures, ook op het gebied van het douanerecht.

 

 

(1) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief

(2) ECLI:EU:C:2004:122

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}