"Er is veel specialistische kennis in huis. Deze kennis delen en doelgericht inzetten ten behoeve van de cliŽnt, daar zijn onze advocaten goed in!"

Gťťn navordering douanerechten bij verjaring douaneschuld

Het douanerecht is voor een belangrijk deel gebaseerd op Europese en internationaal vastgestelde regels. Zo zijn bijvoorbeeld de regels voor de vervaltermijn van de heffing (“verjaring”) van een douaneschuld vastgelegd in Europese douanewetgeving. De Nederlandse douaneautoriteiten passen deze regels vervolgens in de praktijk toe. Dat de toepassing van deze regels dikwijls tot de nodige discussie met de (douane)inspecteur leidt, blijkt bijvoorbeeld uit recente jurisprudentie van (de douanekamer van) het Gerechtshof Amsterdam. 

 

In een zaak bij het Gerechtshof Amsterdam van 18 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:605 was in geschil of de door de douane opgelegde navorderingsaanslag (in het douanerecht: “uitnodiging tot betaling” genoemd) met dagtekening 18 juli 2016 tijdig was uitgereikt voor een ontstane douaneschuld op 4 juli 2013.

 

De belastingplichtige stelde zich op het standpunt dat de genoemde douaneschuld – gelet op artikel 221, lid 3, van het Communautair Douanewetboek (CDW) (1) – inmiddels teniet was gegaan en niet meer kon worden nagevorderd. Op grond van deze bepaling dient de mededeling van de douaneschuld namelijk plaats te vinden binnen drie jaar nadat een douaneschuld is ontstaan.

 

De inspecteur betoogde daarentegen dat artikel 221 CDW toepassing mist en dat de douaneschuld, gelet op het bepaalde in het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) (2), tijdig aan belanghebbende is meegedeeld en daarom niet door verjaring teniet is gegaan.

 

Het tenietgaan van een douaneschuld door verjaring is namelijk met ingang van 1 mei 2016 niet langer wettelijk geregeld in het CDW, maar in artikel 124, lid 1, aanhef en onder a, van het DWU. Bij toepassing van deze (nieuwe) bepaling bedraagt de navorderingstermijn weliswaar ook drie jaar, maar wordt deze termijn voor een periode van 30 dagen geschorst indien de (met ingang van 1 mei 2016) van toepassing zijnde voorprocedure van artikel 22, lid 6, DWU wordt gevolgd.

 

Artikel 22, lid 6, DWU vormt in feite de codificatie van het Europese verdedigingsbeginsel, zoals dit onder meer tot uitdrukking komt in het in 2008 gewezen arrest van het Hof van Justitie EU (HvJ EU) in de zaak Sopropé (ECLI:EU:C:2008:746). Op basis van deze bepaling dienen de douaneautoriteiten – wanneer zij voornemens zijn een uitnodiging tot betaling op te leggen – eerst nog aan de belastingplichtige de gronden kenbaar te maken waarop zij dit voornemen baseren. De belastingplichtige dient vervolgens voorafgaand aan de te nemen beslissing in de gelegenheid te worden gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken.

 

Omdat deze zogenoemde voorprocedure in het onderhavige geval was toegepast, kon de belastingplichtige, zo stelde de inspecteur, dus nog worden geconfronteerd met een daadwerkelijke verjaringstermijn van drie jaar en 30 dagen. De uitnodiging tot betaling van 18 juli 2016 ter zake van de douaneschuld van 4 juli 2013 zou daarmee dus tijdig zijn opgelegd.

 

Het gerechtshof werd dus geconfronteerd met de vraag of – gelet op de overgang van het CDW naar het DWU – de verjaringsregels van het CDW of die van het DWU van toepassing waren.

 

Het Gerechtshof Amsterdam verwerpt het standpunt van de inspecteur dat uit het DWU kan worden afgeleid dat alle bepalingen van het DWU onmiddellijke werking hebben. Weliswaar wordt in de nieuwe douanewetgeving (meer specifiek in artikel 288 DWU) de datum bepaald wanneer het DWU van toepassing wordt, maar daarin valt – ons inziens terecht – nog geen regel van overgangsrecht te lezen.

 

Verder haalt het gerechtshof een belangrijk arrest van het HvJ EU aan (zaak Molenbergnatie) (3). Uit dit arrest kan worden afgeleid dat op situaties (waaronder het ontstaan van de douaneschuld) die zich vóór het van toepassing worden van het DWU (op 1 mei 2016) hebben voorgedaan, in het algemeen de materiële voorschriften van het CDW van toepassing blijven, terwijl doorgaans de procedurevoorschriften van het DWU van toepassing zijn.

 

Omdat uit overweging 41 van het arrest Molenbergnatie blijkt dat een bepaling inzake het tenietgaan van de douaneschuld een materieel voorschrift is, volgt vervolgens de conclusie dat artikel 124 DWU in beginsel geen toepassing kan vinden op de onderwerpelijke douaneschuld, nu deze is ontstaan vóór het van toepassing worden van dit artikel.

 

Toch kan – zo blijkt uit het arrest Beemsterboer van het HvJ EU van 9 maart 2006 (4) – in specifieke gevallen een regel van materieel recht ook van toepassing zijn op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties, maar dat moet dan blijken uit de bewoordingen, de doelstellingen of de opzet ervan. In een dergelijk geval mag geen afbreuk worden gedaan aan de eerbiediging van de algemene beginselen van het Unierecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel die eisen dat de Europese douanewetgeving voor justitiabelen duidelijk en voorzienbaar is.

 

Hier maakt het Gerechtshof Amsterdam vervolgens een belangrijke afweging die uiteindelijk in het voordeel van de belastingplichtige uitvalt.

 

Enerzijds zou namelijk kunnen worden verdedigd dat het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel er niet aan in de weg staan dat met ingang van 1 mei 2016 ten aanzien van de douaneschuld uit 2013 de nieuwe bepaling van artikel 124 DWU van toepassing is (dus inclusief de daarin begrepen schorsing van de mededelingstermijn voor een periode van 30 dagen). De lopende verjaringstermijn was namelijk bij het van toepassing worden van het DWU op 1 mei 2016 nog niet verstreken, zodat geen sprake is van een met het rechtszekerheidsbeginsel strijdig geval dat reeds verjaarde schulden met terugwerkende kracht alsnog invorderbaar worden.

 

Anderzijds kan worden gesteld dat de in artikel 221, lid 3 CDW gestelde termijn van drie jaar (zónder de mogelijkheid van schorsing voor een periode van 30 dagen) onderdeel uitmaakt van de op 4 juli 2013 door belanghebbende – als gevolg van haar aangifte – verworven rechtspositie. De toepassing van artikel 124 DWU zou in dat geval een aantasting van deze rechtspositie met zich meebrengen.

 

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt vervolgens dat de tweede opvatting juist is.

 

Een opvatting die wij van harte ondersteunen en recht doet aan de eerbiediging van de algemene beginselen  van het unierecht.

 

Op het moment van het ontstaan van de douaneschuld op 4 juli 2013 was het voor de belanghebbende immers niet te voorzien dat zij geconfronteerd kon worden met een opschorting van de verjaringstermijn met een periode van 30 dagen. Artikel 124 DWU vindt dan ook geen toepassing en de belanghebbende werd in het gelijk gesteld.

 

Importeurs doen er verstandig aan te beoordelen of een aanslag (“uitnodiging tot betaling”) volgens de regels van de douanewetgeving is opgelegd. Hoewel de procesregels in het douanerecht grotendeels overeenkomen met de regels van het “gewone” belastingrecht, zijn de onderliggende douaneregels (vooral) gebaseerd op Europese wetgeving. Dat geldt niet alleen ten aanzien van de verjaring van een douaneschuld – zoals in dit geval speelde – maar voor tal van andere aspecten zoals bijvoorbeeld de mogelijkheden voor kwijtschelding van een douaneschuld en de geldende formaliteiten bij invoer van goederen.

 

Het is niet altijd eenvoudig om de complexe (en geregeld veranderende) douanewetgeving te doorgronden. Wij hebben geruime ervaring met het voeren van fiscale procedures, ook op het gebied van het douanerecht.

 

(1) Vo. (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek – geldig tot 1 mei 2016.

(2) Vo. (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie – geldig vanaf 1 mei 2016.

(3) arrest van het HvJ EU van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, ECLI:EU:C:2006:136.

(4) arrest van het HvJ EU van 9 maart 2006, Beemsterboer, C-293/04, ECLI:EU:C:2006:162.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}