"Diep in een zaak spitten tot je de beste argumenten hebt gevonden. Daarin vind ik mijn uitdaging."

Europese uitvoeringsverordening (deels) ongeldig: vermindering douanerechten

N.a.v. het arrest van het HvJ EU van 12 oktober 2017, C-661/15, ECLI:EU:C:2017:753

 

Het douanerecht is voor een belangrijk deel gebaseerd op Europese verordeningen. Daarbij vormt het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) (1) de basis voor de douanewetgeving. In deze door de Raad van de Europese Unie vastgestelde verordening zijn de uitgangspunten, basisbepalingen en hoofdlijnen van de douanewetgeving te vinden. Het DWU is nader uitgewerkt in een tweetal omvangrijke verordeningen van de Europese Commissie, de zogenoemde Gedelegeerde Verordening(2) en de Uitvoeringsverordening(3). De bepalingen uit deze verordeningen mogen volgens de regels van de EU niet in strijd zijn met het Douanewetboek van de Unie (4).

 

Indien een in de uitvoeringsverordening vastgestelde bepaling in strijd is met de basisverordening dan kan deze bepaling door het Hof van Justitie EU (“HvJ EU”) ongeldig worden verklaard.

 

Hoewel het HvJ EU hier in de praktijk terughoudend mee omgaat, kwam zij recent in een douanezaak tot dit oordeel. Dat leidde in die zaak tot een (aanzienlijke) vermindering van te betalen douanerechten.

 

In het onderhavige geval had een importeur bij een Japanse fabrikant auto’s gekocht en in Nederland in het vrije verkeer gebracht. De importeur verkoopt de auto’s vervolgens door aan autodealers. De douanewaarde van de auto’s is vastgesteld overeenkomstig de daarvoor in het douanerecht geldende hoofdregel van artikel 29, Communautair Douanewetboek (hierna: “CDW”) (5): dat wil zeggen op basis van de door de importeur aan de fabrikant betaalde koopprijs. Ten aanzien van een aantal auto’s werd meer dan één jaar na de invoer een defect geconstateerd. De betrokken dealers hebben deze gebreken vervolgens hersteld op grond van de door hen verstrekte garantie. De importeur heeft de kosten van deze vervanging aan de dealers vergoed. Daarop heeft de fabrikant die kosten aan de importeur vergoed op grond van de garantieverplichting in de met de importeur gesloten koopovereenkomst.

 

De importeur heeft de Nederlandse douane vervolgens overeenkomstig artikel 236 CDW verzocht om gedeeltelijke terugbetaling van de douanerechten die zij voor de auto’s had voldaan. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat de douanewaarde van deze auto’s achteraf lager bleek te zijn dan de oorspronkelijke douanewaarde, of te wel de gehanteerde verkoopprijs moest worden verminderd met de reparatiekosten. Op grond van artikel 236 CDW kan een dergelijk verzoek tot uiterlijk drie jaar na de invoer van goederen worden gedaan (6).

 

De inspecteur wees het verzoek om terugbetaling vervolgens af onder verwijzing naar een bepaling uit de destijds geldende uitvoeringsverordening van het CDW, namelijk artikel 145, lid 3, van de Uitvoeringsverordening CDW (hierna: “UCDW”) (7). In artikel 145 UCDW was weliswaar opgenomen dat de douanewaarde mag worden aangepast indien sprake is van gebreken op het moment van invoer die later tot uiting komen (zoals in deze zaak het geval was), maar aan deze vermindering van de douanewaarde was een aanvullende voorwaarde verbonden. Deze aanvullende voorwaarde hield in dat de vermindering van de douanewaarde alleen kon plaatsvinden indien  de prijsaanpassing (‘vermindering van de werkelijk betaalde prijs’) binnen twaalf maanden na de aangifte voor het vrije verkeer had plaatsgevonden. Nu de prijsaanpassing pas ná deze termijn van twaalf maanden had plaatsgevonden – namelijk in het tweede en derde jaar na de invoer – kon dus volgens de inspecteur geen sprake zijn van een vermindering van de douanewaarde en was er dus geen reden om douanerechten terug te betalen op grond van artikel 236 CDW.

 

Het HvJ EU heeft zich vervolgens – naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad – moeten buigen over de vraag of de termijn van twaalf maanden die artikel 145, lid 3 UCDW hanteerde wel geldig was.

 

Het HvJ EU overweegt onder meer dat de Europese Commissie toepassingsbepalingen kan vaststellen die noodzakelijk of nuttig zijn voor de uitvoering van de basisregeling, mits die bepalingen niet in strijd zijn met de basisregeling zelf – in dit geval dus de uitvoering van artikel 29 CDW (8). Op grond van artikel 29 CDW moet de douanewaarde van de goederen overeenkomen met de transactiewaarde – dat wil zeggen de voor die goederen werkelijk betaalde prijs, waarbij deze prijs – bij gebreken – nader kan worden aangepast overeenkomstig artikel 145 UCDW.

 

Als gevolg van de in artikel 145, lid 3 UCDW vastgestelde termijn van twaalf maanden zal de douanewaarde van de ingevoerde goederen – zo overweegt het Hof – niet overeenkomen met de werkelijk betaalde prijs zoals voorgeschreven in artikel 29 CDW. De douanewaarde kan immers niet meer kunnen worden aangepast wanneer deze wijziging van de prijs geschiedt ná deze termijn van twaalf maanden. In een dergelijk geval leidt artikel 145, lid 3 UCDW dus tot een vaststelling van de douanewaarde die niet overeenkomt met de (na invoer gewijzigde) transactiewaarde van het goed. En dat levert derhalve strijd op met artikel 29 CDW.

 

Het HvJ EU concludeert derhalve dat artikel 145, lid 3 UCDW ongeldig is voor zover deze bepaling voorziet in een termijn van twaalf maanden waarbinnen de wijziging van de werkelijk betaalde prijs moet plaatsvinden.

 

Een mooi resultaat voor de importeur. Het leverde hem een (forse) terugbetaling van douanerechten op.

 

In dit geval ging het om de geldigheid van een bepaling in de uitvoeringsverordening op het gebied van de berekening van de douanewaarde. Maar er zijn tal van douaneonderwerpen die primair in de basisverordening (‘het DWU’) zijn geregeld en nader zijn uitgewerkt in de (omvangrijke) verordeningen van de Europese Commissie.

 

Importeurs doen er daarom verstandig aan om te beoordelen of de nadere uitvoeringsbepalingen wel altijd in lijn zijn met het DWU.

 

Uiteraard kan deze beoordeling tot discussie leiden met de douaneautoriteiten. In een dergelijk geval zijn er verschillende mogelijkheden om dit voor te leggen aan de rechter. De presentatie en juiste onderbouwing van argumenten spelen in zo’n procedure uiteraard een belangrijke rol. Wij hebben geruime ervaring met het voeren van fiscale procedures, ook op het gebied van het douanerecht.

 

 

(1) Vo. (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.

(2) Gedelegeerde Vo. (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Vo. (EU) nr. 952/2013.

(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Vo. (EU) nr. 952/2013

(4) Artikel 290, Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU)

(5) Vo. (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek – geldig tot 1 mei 2016. Artikel 29, CDW is thans geregeld in artikel 70 DWU.

(6) Artikel 236 CDW is per 1 mei 2016 vervangen door artikel 116, lid 1 onder a DWU.

(7) Vo. (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Vo. (EEG) nr. 2913/92. Artikel 145, lid 3 UCDW is per 1 mei 2016 vervangen door artikel 132, aanhef en onder c Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

(8) zie in dit verband ook het arrest van het HvJ EU, Söhl & Söhlke, C-48/98, EU:C:1999:548, punt 36).

 

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}