"Ik zorg voor een sterke verdediging en ben aanvallend waar nodig."

Douanetarief bij invoer: forse verschillen!

Het douanerecht is voornamelijk gebaseerd op Europese en internationaal vastgestelde regels. Meer dan andere fiscale aandachtsgebieden. Zo is voor het bepalen van het tarief aan douanerechten (‘het douanetarief’) door de EU een lijst ingesteld, de zogenoemde Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN). De GN bestaat uit een namenlijst van goederen met daaraan gekoppeld een cijfercode (‘goederencode’). Achter elke goederencode wordt het percentage aan douanerechten vermeld[1].

De GN zou idealiter alle goederen moeten noemen. Dat is uiteraard ondoenlijk, al was het alleen maar doordat er als gevolg van de technologische ontwikkelingen steeds nieuwe producten bijkomen. Mede daarom zijn er zogenoemde ‘indelingsregels’ opgesteld, waarin voorschriften en criteria zijn opgenomen die bij de indeling van elk afzonderlijk goed in de GN dienen te worden gehanteerd. Daarnaast zijn er in de GN zogenoemde (aanvullende) aantekeningen opgenomen, die de indeling moeten verduidelijken. Ook kan sprake zijn van zogenoemde toelichtingen bij de nomenclatuur van de Wereld Douane Organisatie (WDO) of van de Europese Commissie. Deze toelichtingen zijn weliswaar niet rechtens bindend, maar vormen een belangrijk hulpmiddel bij de uitlegging van de nomenclatuur.

Indeling van goederen: vaak geschillen met douane

Al met al is sprake van een groot aantal ‘bronnen’ om tot de indeling van een goed te komen die vaak voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De indeling van goederen in de GN roept in de praktijk dan ook vaak vragen op en leidt zeer geregeld tot geschillen met de douane. Zoals blijkt uit de grote hoeveelheid publicaties op rechtspraak.nl, monden die geschillen vaak uit in een beroepsprocedure (in eerste aanleg) bij de rechtbank Noord-Holland, in hoger beroep bij (de douanekamer van) het Gerechtshof Amsterdam of zelfs in cassatie bij de (belastingkamer van) de Hoge Raad.

Een importeur heeft er vaak belang bij om over de indeling van goederen te procederen. De douanetarieven die uit de GN voortvloeien, kunnen namelijk per product fors van elkaar verschillen. Een voorbeeld van een dergelijk verschil kwam tot uitdrukking in een uitspraak van (de douanekamer van) het Gerechtshof Amsterdam over de indeling van een ‘antieke’ raceauto – in dit geval een Porsche[2]. Auto’s – daaronder ‘racewagens’ begrepen – worden normaal gesproken ingedeeld onder post 8703 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), maar dat laat onverlet dat een auto soms ook in aanmerking komt voor indeling onder post 9705 van de GN als ‘voorwerp voor een verzameling met een historisch belang’. Is dat laatste het geval, dan bepaalt aantekening 4A op hoofdstuk 97 van de GN dat post 9705 voorrang heeft op post 8703. Bij indeling onder post 9705 zijn géén douanerechten verschuldigd; een behoorlijk verschil ten opzichte van het douanetarief van 10 procent (van de douanewaarde van de auto) dat voor post 8703 geldt.

Voor de importeur van de Porsche liep de procedure bij het Gerechtshof Amsterdam overigens minder goed af. Het Gerechtshof Amsterdam kwam in dit geval tot indeling onder post 8703 van de GN. Hij moest dus 10 procent douanerechten betalen voor zijn Porsche.

Ook impact op andere belastingen

De indeling van een goed in de GN heeft ook impact op een aantal andere belastingen. Voor de omzetbelasting geldt bijvoorbeeld dat deze bij invoer wordt berekend over de douanewaarde (artikel 19 Wet op de omzetbelasting 1968). In de douanewaarde zijn volgens de Wet OB, ook de rechten bij invoer begrepen. Een voor de importeur gunstige indeling (en dus een lager bedrag aan douanerechten) leidt derhalve tot een lagere maatstaf van heffing voor de omzetbelasting.

Daarnaast geldt dat de EU, naast de douanerechten, in bepaalde situaties ook zogenoemde antidumpingrechten bij invoer heft. De heffing van antidumpingrechten zijn (doorgaans) rechtstreeks gekoppeld aan nader genoemde producten in de GN. De indeling van een product in de GN kan dus een cruciale rol spelen bij de vraag of al dan niet antidumpingrechten zijn verschuldigd.

Mogelijkheden aanvechten indeling

Een importeur kan derhalve met een voor hem gunstige goederenindeling aanzienlijke besparingen realiseren. In de praktijk zijn er voor een importeur verschillende mogelijkheden om de indeling van een goed aan de orde te stellen.

Ten eerste is er voor de importeur de mogelijkheid om bij de douaneautoriteiten bezwaar aan te tekenen tegen de door de douane vastgestelde navorderingsaanslag van douanerechten (de zogenoemde uitnodiging tot betaling). In bezwaar, eventueel gevolgd door beroep bij de rechtbank Noord-Holland, hoger beroep bij de douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam en tenslotte cassatie bij de belastingkamer van de Hoge Raad, kan worden betoogd dat de goederenindeling onjuist is vastgesteld en derhalve te veel douanerechten zijn geheven.

Daarnaast biedt de Europese douanewetgeving de mogelijkheid om, tot drie jaar na de invoer, een zogenoemd verzoek om terugbetaling van douanerechten bij de douaneautoriteiten in te dienen. Een importeur kan in een dergelijk verzoek derhalve ook de indeling van een bepaald goed aan de orde stellen. Dat kan dus tot drie jaar terug, hetgeen een behoorlijke besparing kan opleveren. Tegen de beslissing op een verzoek om terugbetaling staat overigens bezwaar open bij de douaneautoriteiten.

Tenslotte bestaat voor de importeur de mogelijkheid om een zogenoemde BTI aan te vragen[3]. Een BTI is een beschikking van de douaneautoriteiten op het gebied van de goederenindeling voor een specifiek product in de GN. Een belangrijk kenmerk van een BTI is dat deze niet alleen van toepassing is in de lidstaat van afgifte, maar in alle lidstaten van de EU kan worden gebruikt. De aanvraag vindt plaats in de lidstaat waar de importeur is gevestigd of in de lidstaat waar de BTI gebruikt zal gaan worden (dus waar de goederen worden ingevoerd)[4].

Omdat de BTI een beschikking is, bestaat vervolgens de mogelijkheid om tegen deze beschikking binnen zes weken een bezwaarschrift bij de douaneautoriteiten in te dienen.

Kortom, er bestaan voor de importeur verschillende mogelijkheden om de indeling van zijn goederen aan de orde te stellen. Voor alle procedures geldt dat de presentatie en juiste onderbouwing van argumenten een belangrijke rol spelen, evenals formeelrechtelijke aspecten zoals de vraag op wie de bewijslast rust, of de vraag of het oproepen en/of gebruiken maken van deskundigen zinvol is.

 

[1] Verordening (EEG) nr. 2658/87 — De tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief.

[2] Gerechtshof Amsterdam, 03-07-2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2190.

[3] Voor een nadere toelichting op het gebruik van de BTI, lees Hertoghs Beschouwt van 12 februari 2018: Bindende tariefinlichting in het douanerecht: bezint eer ge begint?!

[4] Artikel 19, lid 1 Gedelegeerde Verordening DWU (2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015).

 

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}