"De stukken uit het plafond pleiten! Zo nodig tot in hoogste instantie."

De slager keurt zijn eigen vlees

Op 9 januari 2019 publiceerde het Openbaar Ministerie Noord-Holland (hierna: OM) een persbericht over de vervolgingsbeslissing in een onderzoek tegen twee politieambtenaren en een officier van justitie uit Noord-Nederland. Tegen deze ambtenaren was aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte in verband met een proces-verbaal van een getuigenverhoor. Het OM heeft geconstateerd dat er fouten zijn gemaakt, maar vindt een strafrechtelijke vervolging een te zware reactie op hetgeen de betrokkenen kan worden verweten. Een disciplinaire afdoening is meer op zijn plaats, volgens het OM. Het is opmerkelijk dat het OM zo mild reageert in relatie tot zijn ‘eigen’ ambtenaren. Daarnaast legt deze beslissing maar weer eens de vinger op de zere plek in het strafproces, namelijk de discussie over de juistheid van het proces-verbaal van opsporingsambtenaren. Reden om deze casus eens nader te bestuderen.

De onjuistheden in een proces-verbaal van verhoor

De aangifte is gedaan door advocaten van drie verdachten, die onjuistheden in een proces-verbaal van een getuigenverhoor hebben gemeld. Het gaat om drie passages uit het proces-verbaal. Allereerst de zinsnede ‘naar later bleek dat het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen’. Tijdens het verhoor is door de opsporingsambtenaren besloten – met instemming van de advocaat van de getuige – om geen gebruik te maken van opnameapparatuur, terwijl de zaak zich daar wel voor leende. Toen de zaaksofficier een maand later alsnog opdracht gaf om een proces-verbaal op te maken, moesten de opsporingsambtenaren verklaren waarom het verhoor niet was opgenomen. Om die reden is gebruik gemaakt van de hiervoor geciteerde zinsnede. Vooral de term ‘abusievelijk’ werd in dit kader ter discussie gesteld, maar het OM noemt dit een ‘ongelukkige formulering’ en weerspreekt dat sprake is van opzettelijk handelen. Een tweede zinsnede die ter discussie staat betreft ‘nadat getuige de verklaring niet heeft doorgelezen en weigerde deze te ondertekenen’. Dit blijkt echter een telefonische mededeling van de advocaat van de getuige aan de opsporingsambtenaren te zijn geweest. Hoewel ook hier wordt erkend dat het beter, zorgvuldiger en correcter was geweest als was vermeld dat dit een mededeling van de advocaat namens de getuige is geweest, ontbreekt volgens het OM ook hier het opzet. De derde zinsnede heeft betrekking op de plaats en ondertekening van het proces-verbaal. In het proces-verbaal is ‘Pijnacker, 30 januari 2017’, zijnde de datum en locatie van het verhoor vermeld, terwijl het proces-verbaal rond 23 februari 2017 in Meppel is opgesteld. Over deze derde zinsnede komt het OM wel tot de conclusie dat sprake is van valsheid in geschrifte (artikel 225, lid 1 Sr). De zaaksofficier, die door de advocaat van de getuige van deze onjuistheden op de hoogte is gesteld, heeft dit proces-verbaal zonder nadere toelichting onderdeel laten uitmaken van het dossier. Ook daarvan concludeert het OM tot valsheid in geschrifte (artikel 225, lid 2 Sr). Zoals hiervoor vermeld, gaat het OM evenwel niet over tot vervolging.

Handvatten voor een andere dan strafrechtelijke afdoening

De wijze waarop het OM tot een beslissing komt om niet strafrechtelijk te vervolgen is opmerkelijk. Niet dat betoogd moet worden dat deze ambtenaren zwaarder moeten worden bestraft, maar het geeft wel te denken of het OM dergelijke overwegingen ook de doorslag laat geven in fraudezaken tegen niet-ambtenaren. Allereerst de negatieve media-aandacht voor de opsporingsambtenaren en officier van justitie in kwestie tijdens de inhoudelijke zitting van de verdachten.[1]

In fraudezaken wordt bij aanvang van het onderzoek steeds vaker de media ingelicht, maar dat weerhoudt het OM er dan niet van om wel vervolging in te stellen wegens valsheid in geschrifte (zie de recente fraudezaken over valsheid in geschrifte, waarbij de rechter de verdachten overigens heeft vrijgesproken).[2]  

Ook blijkt uit het beleid van het OM dat het zoeklicht staat op ‘facilitators’, zoals notarissen, belastingadviseurs, accountants en advocaten, waarbij de door hen opgestelde documenten tot in het kleinste detail worden gecontroleerd, terwijl deze veelal juridisch gezien niet fout zijn. Volgens het OM is de valsheid in relatie tot procedurele aspecten aanleiding om coulant te zijn. Diezelfde afweging kan naar onze mening met hetzelfde gemak vaak ook bij facilitators worden gemaakt.  

Ten slotte heeft het OM al eerder in de media aangekondigd dat men het tuchtrecht zal inschakelen als voor het plegen van strafbare feiten te weinig bewijs is vergaard, maar het handelen van de betrokken dienstverlener als onzorgvuldig moet worden gekwalificeerd. In vergelijking tot de disciplinaire afdoening, die voor de betrokkenen ongetwijfeld als straf wordt ervaren maar niet in de openbaarheid komt, is een openbare zitting of een tuchtrechtelijk ingrijpen vele malen ingrijpender te noemen. Of is er ook een wetsvoorstel voor openbaarmaking van disciplinaire uitspraken in de maak?

Los van de twijfels die de uitkomst van dit persbericht doet oproepen, biedt dit niettemin de nodige handvatten om het OM ervan te overtuigen dat bij een verdenking van valsheid in geschrifte anders dan strafrechtelijk ingrijpen zou moeten prevaleren.

De bewijswaarde van een proces-verbaal

Een tweede aspect in deze casus is het proces-verbaal. Aan een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar wordt bijzondere bewijswaarde toegekend (artikel 344, lid 2 Sv). In het strafproces is dit ook hét document waarop de rechter zich zal baseren in de voorbereiding van een strafzaak. Dat zou ertoe moeten leiden dat het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar buiten discussie zou moeten staan. Het tegendeel is het geval. Het komt iedere advocaat bekend voor dat een proces-verbaal een ‘zakelijke weergave’ bevat met een samenvatting van vragen en antwoorden als ware dat de verklaring van zijn cliënt, terwijl de cliënt niet veel meer heeft gezegd dan een simpel ‘ja’ of ‘nee’, semantische discussies, het ontbreken van controlevragen, verwisseling van citaten in de volgtijdelijkheid en verschil van interpretatie van intonaties. Het komt te vaak voor dat hierover een wezenlijke discussie ontstaat (zie de blogs op Vaklunch.nl, #12, #43, #99, #132, #148 en #168). Deze terugkerende discussie rechtvaardigt een hoge prioritering van de processen-verbaal en de verbaliseringsplicht bij de Modernisering van Strafvordering. Uit de literatuur[3] blijkt echter dat daar nog weinig nieuws onder de zon zal komen. Het blijft dus opletten, zowel voor de te ondervragen getuige als voor de verdediging en de rechter in een strafzaak. Het is essentieel dat de verklaring van een getuige zo veel mogelijk woordelijk wordt vastgelegd en dat duidelijk is welke vraag wordt gesteld en wat daarop het antwoord is. Als er twijfels zijn over de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal is het aan de verdediging en de rechter om daar kritisch naar te kijken.

 

 

 

[1] ECLI:NL:RBNNE:2018:1261: de rechtbank heeft overwogen dat sprake is van misleidend handelen door de officier van justitie dat de kern van het strafproces raakt en verklaart de officier van justitie in één zaak zelfs niet-ontvankelijk.

[3] D.A.G. van Toor PhD LLM BSc, 'Het dossier als fundament voor de rechterlijke beslissing', Platform Modernisering Strafvordering 2018-10, p.

 

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}