"Wij hebben oog voor de menselijke factor in de machtsverhouding tussen partijen."

De knuppel in het cryptohok: Bitcoins en cryptovaluta ≠ box 3?

Of het nu de krant, LinkedIn of Facebook betreft, bijna dagelijks wordt iets geschreven over Bitcoins en cryptovaluta. Het is duidelijk dat dit de gemoederen flink bezig houdt, zo ook in de fiscaliteit. De Staatssecretaris heeft diverse malen gesteld dat cryptovaluta als bezitting in box 3 moet worden aangemerkt. Ook de Belastingdienst hecht eraan te benadrukken dat Bitcoins in de belastingaangifte moeten worden opgenomen. Deze waarschuwingen lijken vooral ingegeven vanuit een wantrouwen dat deze valuta wel eens buiten het zicht van de fiscus worden gehouden. Tot op heden is echter niet ter discussie gesteld of cryptovaluta naar hun aard wel als box 3 vermogen kunnen worden aangemerkt. Vallen cryptovaluta überhaupt onder de heffing van box 3?

 

Bezittingen in box 3

Artikel 5.3 lid 2 Wet IB 2001 bepaalt welke bezittingen tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren. Als restcategorie aan bezittingen die in box 3 belastbaar zijn, is de ‘overige vermogensrechten’ met waarde in het economisch verkeer genoemd. Cryptovaluta vallen niet onder de rubriek ‘geld’, omdat de crypto’s geen wettig betaalmiddel zijn.[1] Ook valt het niet onder de categorie ‘roerende zaken’, omdat crypto’s niet fysiek tastbaar zijn. De Staatssecretaris heeft de stelling ingenomen dat het bezit van Bitcoins en andere cryptovaluta daarom onder ‘overige vermogensrechten’ valt.[2]

 

Civielrechtelijke kwalificatie van vermogensrechten

Voor de vraag of crypto’s als vermogensrechten kwalificeren dient aansluiting gezocht te worden bij artikel 3:1 BW. Artikel 3:1 BW bepaalt dat het vermogensrecht in het algemeen van toepassing is op ‘zaken en vermogensrechten’. De wet geeft geen strak omlijnde definitie van het begrip vermogensrechten. Wel stelt artikel 3:6 BW een aantal vereisten aan vermogensrechten, waaronder dat zij overdraagbaar zijn. De stelling kan ingenomen worden dat cryptovaluta  overdraagbaar zijn omdat zij van de ene wallet naar de andere wallet kunnen worden verzonden. Een ander vereiste is dat de rechthebbende stoffelijk voordeel wordt verschaft. De waarde van cryptovaluta ligt besloten in het gegeven dat ze omgewisseld kunnen worden in geld op een wisselplatform. Tot zover wordt aan de vereisten voldaan.

In de literatuur wordt niettemin betoogd dat het aanmerken van cryptovaluta, zoals de Bitcoin, als vermogensrechten problematisch is.[3] De redenering die hieraan ten grondslag ligt, is dat een vermogensrecht een persoonlijk recht is, waar een passief vermogensbestanddeel (schuld) tegenover staat. Daarvan is bij Bitcoin geen sprake. Een Bitcoin is een reeks versleutelde codes met een bepaalde waarde. Een Bitcoin geeft de eigenaar aldus geen recht op de waarde die de Bitcoin vertegenwoordigt, maar heeft zelf die waarde. Wij onderschrijven deze visie. Daarbij komt ons inziens ook kijken dat de eigenaar van een Bitcoin of enige andere vorm van crypto’s geen bezitter is van de blockchain waar de reeks versleutelde codes zijn ontstaan en worden aangehouden. Niemand is namelijk eigenaar van de blockchain, dat is het hele idee achter de totstandkoming van de cryptovaluta. De eigenaar van een Bitcoin heeft slechts toegang tot de blockchain waar de Bitcoins zijn opgeslagen maar bezit niet de blockchain an sich.

 

Fiscale kwalificatie van bezittingen

Uit de parlementaire behandeling van artikel 5.2 Wet IB 2001 is te herleiden dat de begrippen ‘bezittingen’, met name ‘vermogensrechten’, en ‘schulden’ voor de toepassing van box 3 een ruimere betekenis hebben dan in het burgerlijke recht en dat onder ‘overig vermogensrecht’ in elk geval alle rechten met enige waarde in het economisch verkeer worden begrepen. De Hoge Raad heeft daarbij tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een rechtsverhouding en dat deze rechtsverhouding leidt tot zodanige rechten dat een vermogensrecht in de zin van box 3 aanwezig is.[4] Mede gelet op hetgeen hierboven is opgemerkt, is naar onze mening discutabel of een dergelijke rechtsverhouding aanwezig is bij het bezit van crypto’s. Zoals gezegd is geen sprake van een passief vermogensbestanddeel bij het bezit van crypto’s. De vraag komt op met wie of wat de houder van cryptovaluta een rechtsverhouding heeft. Er bestaat immers geen toezichthouder of andere instantie die de crypto’s in beheer houdt.

Anderzijds is deze categorie door de wetgever expliciet als restcategorie benoemd, waaronder alle rechten vallen die enige waarde in het economisch verkeer hebben en niet onder een andere categorie vallen.[5] In de evaluatie van de Belastingherziening 2001 is gesteld dat deze ruime categorie allerlei knelpunten oplevert en dat er behoefte is aan een duidelijke normering. De Staatssecretaris heeft die kritiek destijds naast zich neergelegd.[6] Of de Hoge Raad zich laat overtuigen dat de tekst van de wet boven de bedoeling van wetgever gaat, is uiteraard nog maar zeer de vraag. Dat neemt niet weg dat ook in deze context blijkt dat de tekst van de belastingwetgeving niet aansluit op de huidige digitalisering in de fiscaliteit.

In relatie tot de vermogensrendementsheffing worden al vraagtekens gesteld bij de forfaitaire benadering van het rendement en het beperkte moment in de tijd waarop dit wordt berekend, namelijk (uitsluitend) op 1 januari. Daar komt wat ons betreft nog een knuppel in het hoenderhok bij, nu vanuit de civiel- en fiscaalrechtelijke definitie in de wet en rechtspraak nog valt te bezien of cryptovaluta als box 3 vermogen kunnen worden aangemerkt. De bedoeling van de wetgever staat een ruime interpretatie van de overige vermogensrechten voor, maar dat neemt niet weg dat de definitie in de wet veel geweld moet worden aangedaan om crypto’s aan te merken als vermogensrechten. Tot hier en niet verder?   

 

 

 

[1] Rb Overijssel 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667.

[2] Kamerstukken I 2017/18, 34775, AA, p. 7.

[3] W.A.K. Rank, “Bitcoins: civielrechtelijke en toezichtrechtelijke aspecten in: Bitcoins civiele en fiscale aspecten in beeld”, Wolters Kluwer: 2015, p. 36.

[4] HR 15 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1294, BNB 2013/118.

[5] Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 234.

[6] Brief Staatssecretaris van Financiën van 7 april 2006, Kamerstukken II 2005/06, 30 375, nr. 3, p. 3, V-N 2006/21.12.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}