"Het beeld van de Liefdezuster in onze tuin is een symbool van het religieuze verleden van Breda."

Beperking van de reikwijdte van het procesbelang?

In fiscalibus is het procesbelang een buitenwettelijke voorwaarde voor ontvankelijkheid.[1] Anders gezegd, wanneer een procesbelang ontbreekt, word je niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar of (hoger/cassatie) beroep. Het zal dan ook niet verbazen dat het bestaan van een procesbelang vaak een twistpunt is in een geding.

Wat soms wel nog verbaast is het rechterlijk oordeel in een dergelijke discussie. Zo beslisten twee gerechtshoven in twee, van elkaar onafhankelijke, zaken tegen een “parkeerboete” tegenovergesteld over het bestaan van een procesbelang. Materieel gaan die zaken over de vraag of de boete - zoals de naheffingsaanslag parkeerbelasting in de volksmond wordt genoemd – terecht en juist is, en/of de vraag of gemeenten btw dienen te berekenen over de tarieven voor parkeren op de openbare weg. De aanwezigheid van het procesbelang is in die zaken  een belangrijk geschilpunt. Meer specifiek gaat de discussie over de eventuele grenzen aan het bestaan van een procesbelang. Daardoor is de relevantie van die zaken groter voor de fiscale procespraktijk dan enkel de materiële twistpunten. 

 

Het bestaan van een fiscaal procesbelang kent geen financiële ondergrens

 

De eerste uitspraak betreft die van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van vorig jaar.[2] In die zaak is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 1,60, verhoogd met kosten van € 56. Belanghebbende is daartegen in bezwaar en beroep gegaan, met name omdat hij wil dat aan hem een factuur wordt uitgereikt met vermelding van omzetbelasting. Belanghebbende is namelijk een ondernemer die de kosten voor zijn zakelijk geëtiketteerde auto in aftrek mag brengen, mits hij daartoe over een juiste factuur, met omzetbelasting, beschikt. Het eventuele bedrag aan verschuldigde omzetbelasting zou zeer gering zijn. Volgens de heffingsambtenaar van gemeente Groningen zou het gaan om een bedrag van € 0,34.[3] De heffingsambtenaar meent dat het belang derhalve te laag is om een procesbelang aanwezig te achten, zodat belanghebbende niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn beroep. Het Hof oordeelt echter kort en duidelijk dat een procesbelang inhoudt dat belanghebbende bij vernietiging of vermindering van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in een betere positie moet komen, ook wanneer de vermindering slechts een gering bedrag zou betreffen. Volgens het Hof geldt voor het bestaan van een fiscaal procesbelang geen (financiële) ondergrens.

De tweede zaak betreft die van Gerechtshof Den Haag.[4] Ook daarin is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 29, verhoogd met kosten van € 59. Belanghebbende is daartegen in bezwaar en beroep gegaan, waarbij hij mede vroeg om uitreiking van een factuur met vermelding van omzetbelasting. Na toepassing van de judiciële lus in hoger beroep werd het parkeerbelastingbedrag bij uitspraak op bezwaar verlaagd naar € 23,90. Het verzoek om een zogenoemde btw-factuur werd afgewezen. In beroep tegen die beslissing op bezwaar werd enkel nog opgekomen tegen die laatste afwijzing. Hof Den Haag stelde de heffingsambtenaar in het gelijk. Volgens het Hof is het verzoek om een factuur met omzetbelasting geen bijkomende (rechterlijke) beslissing en bovendien zou een eventueel belang liggen buiten de bestreden naheffingsaanslag parkeerbelasting, omdat het hem gaat om aftrek van voorbelasting. De vraag is of dat oordeel juist is.

Omtrent het bestaan van een procesbelang bestaat veel jurisprudentie. Uit de meer recente jurisprudentie kan worden opgemaakt dat van een procesbelang sprake is als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waar het op steunt, de belastingplichtige in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.[5] Uit de jurisprudentie blijkt verder dat ook schadevergoedingen (materieel en immaterieel) als bijkomende beslissingen kunnen worden aangemerkt en daarmee een belang kunnen creëren, zelfs waar het primaire belang ten aanzien van het bestreden besluit gedurende de procedure is komen te vervallen.[6] Voor de beoordeling moet onderscheid worden gemaakt tussen de beoordeling van het belang bij bezwaar of beroep en de beoordeling van de aangedragen middelen.[7] Daarnaast geldt dat het procesbelang ook kan zijn gelegen in nadere aangevoerde grieven dan die bij het instellen van het (hoger) beroep of beroep in cassatie.[8]  Waar de Hoge Raad echter de grens trekt is een belang dat buiten het bestreden besluit ligt.[9]

 

Het procesbelang moet worden onderscheiden van het belang van de aangedragen argumenten

 

Voor de beoordeling van de gunstigere positie en de bijkomende (rechterlijke) beslissingen dient derhalve steeds het bestreden besluit als uitgangspunt worden genomen. Nu de belanghebbende in de zaak voor Hof Den Haag enkel nog over de zogenoemde btw-factuur procedeerde, meende Hof Den Haag dat sprake was van een belang buiten het bestreden besluit. Het Hof meende dat de factuur enkel het belang van aftrek op voorbelasting diende en niet meer kon leiden tot een gunstigere positie ten opzichte van het bestreden besluit. Daarbij gaat het Hof volgens ons echter voorbij aan de onderliggende argumentatie van het verzoek om een dergelijke factuur. De onderliggende argumentatie is namelijk dat parkeren op de openbare weg belast zou zijn voor de omzetbelasting. Indien dat standpunt zou worden gevolgd zou het bedrag aan omzetbelasting het bedrag van de naheffingsaanslag kunnen verminderen, zodat belanghebbende wel degelijk nog in een betere positie zou kunnen komen ten opzichte van het bestreden besluit. Hof Arnhem-Leeuwarden, gaat wel uit van die redenering. Maar, de belanghebbende in de zaak voor Hof Arnhem-Leeuwarden heeft die argumentatie ook duidelijk gevoerd. De belanghebbende in de zaak voor Hof Den Haag diende het verzoek om een factuur met omzetbelasting pas in tweede instantie in, motiveerde het verzoek slechts zeer summier met een verwijzing naar een uitspraak van Rechtbank Gelderland[10] en verscheen bovendien niet op zitting. Die processtrategie, of dat nou een bewuste keuze was of niet, moet belanghebbende in deze zaak bekopen met een niet-ontvankelijk verklaring.

 

Het procesbelang kent slechts één grens: de grens van het belang bij het bestreden besluit

 

Door de uitspraak van Hof Den Haag lijkt het alsof er in de praktijk mogelijk een effectieve grens is voor het al dan niet bestaan van een procesbelang wanneer het belang onvoldoende gemotiveerd wordt gesteld. Anders concludeerde A-G Ettema in de zaak van Hof Arnhem-Leeuwarden.[11] Zij verduidelijkt de gronden voor ontvankelijkheid voor zover noodzakelijk. A-G Ettema neemt aan dat belanghebbende met zijn verzoek, de bestreden naheffingsaanslag te vervangen door een btw-factuur, bedoelt dat hij wenst dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd. Die verduidelijking is wat ons betreft de juiste weg. Een rechter is ex artikel 8:69 Awb namelijk gehouden om ambtshalve de rechtsgronden van het beroep aan te vullen. De uitspraak van Hof Den Haag kan wat ons betreft dan ook geen stand houden. De enige grens aan het al dan niet bestaan van een procesbelang blijft dan ongewijzigd de grens van het belang bij het bestreden besluit en de bijkomende (rechterlijke) beslissingen. Echter, het laatste woord daarover is uiteraard aan de Hoge Raad.

 

[1] Dit is reeds door de Hoge Raad bepaald in 1938: 15 juni 1938, B6687.

[2] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3819 (ligt thans voor bij de Hoge Raad en conclusie genomen: A-G Ettema 31 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:873).

[3] Het Hof laat de vaststelling van de maatstaf van heffing in het midden. Uit een eerdere uitspraak van rechtbank Gelderland van 3 november 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:5821) zou kunnen worden afgeleid dat de omzetbelasting over het bedrag van belasting vermeerderd met kosten berekend zou moeten worden. Een ander uitgangspunt kan zijn dat het bedrag aan omzetbelasting uit het bedrag van € 1,60 moet worden gehaald en niet bovenop dat bedrag moet worden berekend.

[4] Gerechtshof Den Haag 18 juli 2017 ECLI:NL:GHDHA:2017:2196.

[5] Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844.

[6] Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988; en Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655.

[7] Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.

[8] Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.3.

[9]  Hoge Raad 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655.

[10] Rechtbank Gelderland 3 november 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:5821).

[11] Conclusie van 31 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:873.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}