"Wij geloven in teamwork en maken daarmee de ketting zo sterk als de sterkste schakel"

Aansprakelijkheid voor douanerechten: ook de adviseur in de gevarenzone?

Het douanerecht is voor een belangrijk deel gebaseerd op Europese en internationaal vastgestelde regels. Dat de douaneautoriteiten voor één douaneschuld meerdere douaneschuldenaren kunnen aanwijzen, volgt bijvoorbeeld rechtstreeks uit de Europese douanewetgeving. In een (onlangs) gewezen arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2018:1033, wordt nog eens benadrukt dat de kring van aansprakelijk te stellen personen voor een douaneschuld ruim is.

Bevindt zelfs de (belasting)adviseur zich in de gevarenzone en kan deze worden aangesproken voor de douaneschuld ter zake van de invoer van goederen in de EU?

Een douaneschuld ontstaat in de meeste gevallen nadat voor de goederen een zogenoemde aangifte voor het vrije verkeer is gedaan. Dat was in de oude Europese douanewetgeving geregeld in artikel 201 Communautair Douanewetboek (1) en in het vanaf 1 mei 2016 van toepassing zijnde Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) (2) in art. 77 DWU.

Bij het in het vrije verkeer brengen kunnen – afhankelijk van de situatie – meerdere douaneschuldenaren worden onderscheiden. De oude en de nieuwe wetgeving komen op dit punt vrijwel overeen. In de praktijk was en is de ‘belangrijkste’ schuldenaar de aangever, dat wil zeggen de persoon die in eigen naam een aangifte doet of de persoon in wiens naam de aangifte wordt gedaan. Van dat laatste geval is sprake bij de in Nederland veelvoorkomende vorm van ‘directe vertegenwoordiging’. Een douane expediteur verzorgt dan voor zijn opdrachtgever de aangifte ten invoer en doet deze aangifte dan op naam en voor rekening van de opdrachtgever. De opdrachtgever is daarmee ‘de aangever’ en dus de douaneschuldenaar.

Daarnaast kan – bij indirecte vertegenwoordiging – ook de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan als schuldenaar worden aangemerkt. Bij indirecte vertegenwoordiging doet de aangever de aangifte op eigen naam, maar voor rekening van een ander. In dat geval kunnen dus twee personen als douaneschuldenaar worden aangemerkt.

Ten slotte kunnen ook de personen die voor de aangifte noodzakelijke gegevens hebben verstrekt als schuldenaar worden aangemerkt.

Deze personen kunnen slechts worden aangesproken indien zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren. De bewijslast rust bij de douaneautoriteiten. Lange tijd werd aangenomen dat het voor het aanwijzen van de douaneschuldenaar in vorengenoemde zin in ieder geval vereist was dat deze persoon dus zelf de voor de douaneaangifte vereiste gegevens had verstrekt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin een persoon aan de aangever voor het verzorgen van de aangifte een certificaat van oorsprong verstrekt, waarvan later blijkt dat dit certificaat ongeldig is en bewezen kan worden dat de desbetreffende persoon daarvan op de hoogte was.  

Uit het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad blijkt echter dat de kring van aan te wijzen personen als douaneschuldenaar in vorengenoemde zin (veel) ruimer is.

In de zaak bij de Hoge Raad waren (onder meer) aan een natuurlijke persoon X voor ruim 6 miljoen euro uitnodigingen tot betaling (UTB’s) uitgereikt in verband met aanvullende douanerechten op kippenvlees. De inspecteur stelde dat X weliswaar niet de voor de douaneaangifte benodigde gegevens had verstrekt, maar dat hij betrokken was geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen. Als gevolg van deze structuur werd de prijs van het kippenvlees bij opeenvolgende transacties steeds kunstmatig verhoogd, zodat bij invoer in de EU geen aanvullende douanerechten waren verschuldigd.

Nadat achtereenvolgens de rechtbank Haarlem (3) en het gerechtshof Amsterdam (4) de navorderingen (“uitnodigingen tot betaling”) in stand hebben gehouden, heeft de Hoge Raad op 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2195, prejudiciële vragen aan het HvJ gesteld over de uitleg van het schuldenaarschap. De Hoge Raad wilde met name weten of onder de aansprakelijk te houden persoon ook de natuurlijke persoon X kon vallen. Hij had immers niet de voor de douaneaangifte benodigde gegevens verstrekt zoals strikt genomen vereist is volgens de douanewetgeving, maar was “slechts” betrokken geweest bij het opzetten van de handelsstructuur.

Het HvJ heeft de vraag vervolgens op 19 oktober 2017 beantwoord (5) en legt het begrip douaneschuldenaar (zeer) ruim uit.

Voor de aanwijzing van schuldenaar is, zo blijkt uit het arrest van het HvJ, niet vereist dat de desbetreffende persoon zelf direct of indirect de verkeerde gegevens aan de douaneautoriteiten heeft verstrekt. Daarentegen kan eenieder die betrokkenheid heeft gehad bij de frauduleuze structuur, als douaneschuldenaar worden aangesproken.

Als gevolg van deze (ruime) uitleg van het HvJ wekt het vervolgens geen verbazing dat de Hoge Raad in zijn eerder aangehaalde eindarrest heeft bevestigd dat X als schuldenaar kon worden aangemerkt.

De in de jurisprudentie tot uitdrukking komende uitleg van het begrip douaneschuldenaar zal zeker ook gevolgen voor de douane(straf)praktijk hebben. Wij verwachten dat de komende tijd in de jurisprudentie nader zal worden uitgekristalliseerd waar de grens van de ruime uitleg van het begrip douaneschuldenaar precies ligt.

Vooralsnog is het in ieder geval zeker niet uitgesloten dat ook (belasting)adviseurs zich in de gevarenzone bevinden. Zij zijn immers in de praktijk dikwijls betrokken bij het adviseren en uitdenken van een bepaalde structuur voor hun cliënt om douanerechten te besparen.

Dat gaat ver. Bij de heffing van douanerechten gaat het al snel – zoals ook in de zaak die bij de Hoge Raad voorlag – om aanzienlijke bedragen. De impact van een mogelijke aansprakelijkstelling voor de douanerechten kan dan ook enorm zijn. Het is goed dat ook de (belasting)adviseur zich daar rekenschap van geeft.

 

  1. Vo. (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek – geldig tot 1 mei 2016.
  2. Vo. (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie – geldig vanaf 1 mei 2016.
  3. Rechtbank Noord-Holland van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ5989
  4. Gerechtshof Amsterdam van 17 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1393
  5. HvJ EU van 19 oktober 2017, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778.
Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}