"De stukken uit het plafond pleiten! Zo nodig tot in hoogste instantie."

Aanmaning vereist bij omkering bewijslast bij niet doen van vereiste aangifte

HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675 

 

De Hoge Raad heeft weinig woorden nodig om een oordeel te vellen over de noodzaak van een aanmaning om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast bij het niet doen van de vereiste aangifte. De feiten in het arrest zijn kort en duidelijk. Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. De Inspecteur legt vervolgens een ambtshalve aanslag op. Zowel de Rechtbank als het Hof hebben aannemelijk geacht dat belanghebbende een door de Inspecteur verzonden aanmaning tot het doen van de aangifte niet heeft ontvangen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast omdat belanghebbende niet kan worden verweten dat hij niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn aangifte heeft gedaan. Voor het Hof was onder meer in geschil of het niet ontvangen van de aanmaning door belanghebbende in de weg staat aan omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof heeft daarover geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat de uitnodiging tot het doen van aangifte wel is ontvangen door belanghebbende en hij desalniettemin niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR. De Rechtbank heeft in dat verband ten onrechte geoordeeld dat een inspecteur bij betwisting aannemelijk dient te maken dat de betrokkene niet alleen is uitgenodigd tot het doen van aangifte, maar tevens dat hij daartoe op de voet van artikel 9, lid 3, AWR is aangemaand, aldus het Hof.

Daartegen stelt belanghebbende beroep in cassatie in.

 

De Hoge Raad oordeelt kort en bondig als volgt. Het niet doen van de vereiste aangifte leidt op grond van artikel 27e, lid 1, AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De vereiste aangifte is onder meer niet gedaan als de belastingplichtige die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, de daarbij gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken en tevens geen gebruik heeft gemaakt van de hem op de voet van artikel 9, lid 3, van de AWR geboden gelegenheid om aangifte te doen binnen een door de inspecteur bij aanmaning gestelde termijn.

 

Het Hof heeft dit miskend, zodat verwijzing moet volgen.

 

In deze casus speelt in feitelijke aanleg tevens een rol dat belanghebbende bij zijn verhuurder heeft geklaagd over problemen met postbezorging op zijn woonadres en dat hij om die reden aan de Belastingdienst heeft verzocht om de correspondentie aan zijn gemachtigde toe te zenden. De herinnering en de aanmaning zijn, volgens de inspecteur, echter niet naar zijn gemachtigde, maar naar zijn woonadres toegezonden.

 

Om te voorkomen dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte loont het derhalve de moeite om te controleren of de uitnodiging tot het doen van aangifte, maar ook de herinnering en de aanmaning wel zijn ontvangen. Gelet op de rechtseenheid die de Hoge Raad wenst na te streven menen wij dat ook bij een opgelegde vergrijpboete of strafvervolging wegens het (opzettelijk) niet doen van een belastingaangifte een vergelijkbaar verweer over het niet ontvangen van een aanmaning aan beboeting of strafvervolging in de weg staat.  

 

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}