"Fiscale advocatuur is ook een tactische strijd: wij hebben de kennis en ervaring om te beslissen welke stappen leiden naar succes."

#172 Lacunes in de fiscale rechtsbescherming

Staatssecretaris van Financiën Vijlbrief heeft eerder dit jaar een externe adviescommissie benoemd die onderzoek gaat doen naar de bestaande praktische (fiscale) rechtsbescherming voor burgers en kleine ondernemers[1]. Tegen welke hindernissen lopen de belastingplichtigen aan en wat kan er worden verbeterd om de rechtsbescherming zo goed mogelijk te waarborgen? De commissie wordt gevraagd met een breed palet aan aanbevelingen voor verbetering te komen. Wijziging van wet- en regelgeving wordt door de staatssecretaris niet uitgesloten. De aanleiding voor dit onderzoek is de motie van de heer Omtzigt (CDA) die door de Tweede Kamer is aangenomen. In deze Hertoghs Beschouwt bespreken wij een aantal lacunes in de fiscale rechtsbescherming.

Het gesloten stelsel van rechtsbescherming

Een van de grote hindernissen is dat in belastingzaken uitsluitend bezwaar (en beroep) kan worden gemaakt tegen de in de belastingwet genoemde besluiten: het zogeheten gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dat in tegenstelling tot het ‘gewone’ bestuursrecht (Awb) dat een open stelsel van rechtsbescherming kent en in principe tegen elk besluit van een bestuursorgaan bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld. Dit brengt met zich mee dat bijvoorbeeld tegen het weigeren van het afgeven van een btw-identificatienummer geen bezwaar (en beroep) kan worden ingesteld, noch tegen de weigering om een btw-verklaring voor een pleziervaartuig. Als ook voor belastingzaken aansluiting wordt gezocht bij het gewone bestuursrecht, wordt een belangrijke hindernis weggenomen. Een alternatief kan zijn dat het aantal besluiten/beschikkingen waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld fors wordt uitgebreid, op basis van de praktijk.

Slechts administratief beroep bij afwijzing verzoek om uitstel van betaling. Waar is het wetsvoorstel bezwaar en beroep in deze gebleven?

In het verlengde van het voorgaande ligt het navolgende knelpunt. De fiscale rechtsbescherming bij een afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling, daaronder begrepen het stellen van zekerheid, is erg mager. Je kunt nu alleen binnen tien dagen administratief beroep instellen bij de Directeur van de Belastingdienst. Dit beroep kun je op zich vergelijken met een bezwaarprocedure, een andere ambtenaar die niet bij het besluit is betrokken oordeelt over het administratieve beroep. De gang naar de onafhankelijke fiscale rechter ontbreekt echter. De termijn waarbinnen administratief beroep moet worden ingesteld is ook nog eens onredelijk kort. Waarom is de reguliere termijn van zes weken zoals die ook geldt voor bezwaar- en beroepsprocedures niet van toepassing? Er was een wetsvoorstel aanhangig gemaakt om bezwaar en beroep mogelijk te maken, maar daarvan ontbreekt op dit moment elk spoor. Op de agenda ermee.

Ontzegging toegang tot de rechter bij niet tijdig ingediend bezwaar of beroep

Als je kijkt naar de enorme hoeveelheid fiscale procedures waar de tijdigheid van ingediende bezwaar en beroep een doorslaggevende rol speelt, dan kun je zeker van een enorme hindernis spreken. Toegang tot de rechter wordt daardoor nogal eens onmogelijk gemaakt. Zowel de bezwaar- als beroepstermijn bedraagt zes weken. Zet dat naast de riante tijdsperiode van drie, vijf en twaalf jaar (buitenlandsituaties) waarbinnen de Belastingdienst in staat wordt gesteld om (naheffings-/navorderings-) aanslagen op te leggen, dan steekt een bezwaar- en beroepstermijn van zes weken daar schril tegen af.

Wat in elk geval zou helpen is om aan de verschoonbare termijnoverschrijding een veel ruimere werking toe te kennen. Of een revolutionair andere aanpak: dat bij zowel bij het opleggen van een aanslag (die afwijkt van een aangifte) als bij afwijzing van het bezwaar ervan wordt uitgegaan dat je in bezwaar c.q. beroep komt. Idem dito voor hoger beroep en cassatie. Wil de belastingplichtige toch echt niet in bezwaar of (hoger) beroep, dan wordt het nadien ingetrokken. Een ruimhartigere werking van verschoonbare termijnoverschrijding neemt in elk geval alvast een grote hindernis en frustratie bij de belastingplichtige weg en zou een verbetering van de rechtsbescherming zijn.

Teruggaaf btw afgelopen vijf jaar. Alleen rechtsingang bij bezwaar binnen zes weken na voldoening op aangifte.

We hebben aan dit onderwerp al eerder aandacht besteed in een eerdere aflevering van Hertoghs Beschouwt[2] alsook BTW-bulletin[3]. De Belastingdienst heeft de mogelijkheid om ter zake van in de afgelopen vijf jaren ingediende btw-aangiften, naheffingsaanslagen btw op te leggen. In dat geval kan de belastingplichtige daartegen in bezwaar en beroep. Als blijkt dat de belastingplichtige in de afgelopen vijf jaar te veel btw op aangifte heeft voldaan (bijvoorbeeld ten onrechte het normale btw-tarief voldaan in plaats van het verlaagde btw-tarief van thans negen procent) dan betreft dat een ambtshalve traject. Tegen een beslissing daarop door de inspecteur kan geen bezwaar of beroep worden ingesteld. Een bezwaar zal wel ambtshalve in behandeling worden genomen, maar als dat wordt afgewezen staat geen beroep bij de fiscale rechter open. Slechts een civiele weg met een vordering onverschuldigde betaling/ongerechtvaardigde verrijking rest dan. Wordt intussen een boekenonderzoek ingesteld en wil de inspecteur enerzijds naheffen op andere punten, dan kan ineens de btw die ten onrechte is betaald daarmee weer worden verrekend. Dan is er in feite wel ineens een rechtsingang.

Het niet toekennen van de mogelijkheid om in bezwaar of beroep te gaan tegen beslissingen op ambtshalve teruggaafverzoeken over de afgelopen vijf kalenderjaren, brengt met zich mee dat daardoor ook ten onrechte btw in de bedrijfskolom blijft hangen hetgeen in strijd is met het neutraliteitsbeginsel. Het zou voor de rechtsbescherming dan ook beter zijn als tegen een beslissing van een ambtshave teruggaafverzoek wel bezwaar en beroep open zou staan. Sinds 1 januari 2010 is het reeds mogelijk om bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van inkomstenbelasting. Die regeling zou voor de omzetbelasting gemakkelijk kunnen worden overgenomen.

Bij niet tijdige melding slechts bezwaar en beroep i.v.m. overmacht. Zou net als in het civiele recht integraal moeten zijn.

Voor btw en loonbelastingschulden van een rechtspersoon kan de bestuurder onder bepaalde voorwaarden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld vanwege onbehoorlijk bestuur. In art. 36 Invorderingswet is de zogeheten meldingsregeling opgenomen: de bestuurder dient de betalingsonmacht binnen veertien dagen te melden. Wordt niet tijdig door de bestuurder gemeld, dan kan de bestuurder zich in rechte niet verweren tegen het standpunt van de Ontvanger dat sprake is van onbehoorlijk bestuur.

De Hoge Raad[4] heeft in 2011 beslist dat de meldingsregeling niet in strijd is met het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel. En dat ondanks de conclusie van Advocaat-Generaal Van Ballegooijen[5] die ten aanzien van de btw tot onverbindendheid concludeerde van de meldingsregeling. Roelof Vos heeft in het btw bulletin[6] een aantal jaren geleden hieraan al aandacht besteed maar dit onderwerp is nog steeds actueel. Je hoort je als bestuurder in alle omvang te kunnen verweren tegen een bestuurdersaansprakelijkstelling conform dat mogelijk is in het civiele recht. Of je nu wel opzet of grove schuld kan worden verweten, tijdig gemeld of niet.

 

 

[1] Onderzoek naar de verbetering van praktische rechtsbescherming, brief d.d. 19 februari 2020 aan de Voorzitter van de TK naar aanleiding van de motie van Omtzigt waarin hij vraagt onderzoek te doen naar de mogelijkheden tot verbetering van de praktische rechtsbescherming in belasting- en toezichtszaken.

[2] Naast de meldplicht klopt er nog meer niet… Geef de ondernemer bij in de afgelopen vijf jaren teveel betaalde btw altijd toegang tot de fiscale rechter! Hertoghs Beschouwt 17-07-2018.

[3] Een (te laat) bezwaar en een verzoek om ambtshalve vermindering: zoek de verschillen, door mr. R. Jeronimus en mr. R. Vos, BTW Bulletin 2019 nummer 6.

[4] Hoge Raad 21 januari 2011, nr. 09/00422.

[5] Conclusie A-G 30 november 2009 nr. 09/00422.

[6] ‘Onbehoorlijk bestuur’ van de Hoge Raad? Mr. R. Vos en Mr R. Jongeneel BTW bulletin nr. 3, 2011.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}