"Er is veel specialistische kennis in huis. Deze kennis delen en doelgericht inzetten ten behoeve van de cliŽnt, daar zijn onze advocaten goed in!"

#132 De beschikking fiscale eenheid is (g)een zekerheid?!

In Nederland gevestigde ondernemers die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, kunnen voor de btw worden aangemerkt als één ondernemer. Dit brengt met zich mee dat leveringen van goederen en diensten die tussen de onderdelen van de fiscale eenheid onderling worden verricht, niet onderworpen zijn aan de heffing van omzetbelasting.

Om zekerheid vooraf te krijgen kunnen verschillende ondernemers bij beschikking aangemerkt worden als een fiscale eenheid omzetbelasting. Als deze beschikking door de inspecteur wordt afgegeven dan zou men verwachten dat de inspecteur hieraan gebonden is. De centrale vraag luidt dan ook: wat is de status en betekenis van de afgegeven beschikking fiscale eenheid?

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Volgens de rechtbank komt aan de beschikking fiscale eenheid rechtszekerheid toe. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de bedoeling van de wetgever zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis.[1] Uit de aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt onder meer dat de rechtszekerheid van de beschikking fiscale eenheid zich niet beperkt tot de aansprakelijkheid zoals is gecodificeerd in artikel 43 Invorderingswet 1990.

De rechtbank acht het niet verenigbaar met voormeld oogmerk van de beschikkingseis en voorts niet met het beginsel van formele rechtskracht indien aan een afgegeven beschikking de betekenis ontvalt, indien na het onherroepelijk worden ervan komt vast te staan dat zij ten onrechte is afgegeven. De naheffingsaanslag omzetbelasting kan volgens de rechtbank niet in stand blijven. De inspecteur gaat in hoger beroep…

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

Het gerechtshof merkt in zijn uitspraak als eerste op dat uit de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis volgt dat de fiscale eenheid wel of niet bestaat, ongeacht de wil van de belastingplichtigen en/of de wil van de inspecteur.[2] Het is namelijk het Unierecht (BTW-richtlijn 2006) dat doorslaggevend is of aan de materiële voorwaarden voor een fiscale eenheid is voldaan.[3]

Het gerechtshof concludeert dan ook dat aan de beschikking fiscale eenheid geen zekerheid en/of vertrouwen kan worden ontleend dat een belastingplichtige tot een fiscale eenheid voor de omzetbelasting behoort, zelfs niet indien het verstrekken van zekerheid uit de wetsgeschiedenis zou kunnen worden opgemaakt.

De Hoge Raad moet beslissen: de beschikking is (g)een zekerheid vooraf

Uit de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2017:6893) en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2019:1974) lijkt het antwoord op de vraag of een inspecteur gebonden is aan de door hem afgegeven beschikking af te hangen van de toepassing van het nationale óf het Europese vertrouwensbeginsel.

Indien de Hoge Raad de lijn van het gerechtshof volgt, dan betekent dat volgens ons het einde van de beschikking fiscale eenheid. Wat ons betreft is het echter nog geen gelopen race.

Als wij naar de wetgeving van de fiscale eenheid kijken, dan is artikel 7, lid 4, Wet OB geïmplementeerd via artikel 4, lid 4, Zesde Richtlijn (thans artikel 11 btw-richtlijn). In artikel 4, lid 4, Zesde Richtlijn staat “onder voorbehoud van de in artikel 29 bedoelde raadpleging, kan elke Lid-Staat personen die in het binnenland gevestigd zijn en die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, te zamen als één belastingplichtige aanmerken”.

Bovengenoemd brengt met zich mee dat, ondanks dat het Unierecht aangeeft of er wel of geen fiscale eenheid is, lidstaten zelf wetgeving moeten vaststellen om dat doel te bereiken, waaronder de voorwaarden van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (met inachtneming van de fiscale neutraliteit).

De arresten waarnaar het gerechtshof verwijst, en aanneemt dat het Europese vertrouwensbeginsel van toepassing is, ziet op de toepassing van het Communautair Douanewetboek.[4] De btw-richtlijn is daarentegen een rechtshandeling die een bepaald doel vastlegt dat alle EU-landen moeten bereiken. Volgens ons kan worden betoogd dat de btw-richtlijn op dit punt van de fiscale eenheid niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking en dat het nationale vertrouwensbeginsel wel degelijk een rol dient te spelen in onderhavige problematiek.[5] In dat geval kan de uitkomst van deze zaak gelijk zijn aan de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Wij zijn benieuwd wat de Hoge Raad gaat doen. Voor meer informatie over de beschikking fiscale eenheid verwijzen wij u graag naar het artikel van Ron Jeronimus en Roelof Vos in het BTW-Bulletin: “De beschikking Fiscale Eenheid: een einde van de zekerheid vooraf?” dat binnenkort wordt gepubliceerd.

 

 

[1] toelichting op het amendement-Vreugdenhil, Kamerstukken II 1987/88, 20 030, nr. 11, blz. 2 en Voorlopig Verslag, Kamerstukken II 1987/88, 20 030, nr. 5, blz. 5 en de Memorie van Antwoord, Kamerstukken I 1988/89, 20 030, nr. 23b, blz. 4

[2] Hoge Raad 22 april 2005, 38659, ECLI:NL:HR:2005:AT4477 en TK, 1977/78, 14887, nr. 5, 19 en TK, 1987/88, 20 588, nr. 3, p. 108.

[3] HvJ 16 juli 2015, Larentia en Minerva, C‑108/14 en C‑109/14, ECLI:EU:C:2015:496, r.o. 36.

[4] HvJ EU, Sony Supply Chain Solutions (Europe) BV, C-153/10.

[5] HvJ Larentia + Minerva mbH & Co. KG, C-108/14 en C-109/14 in r.o. 51.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}