"Er is veel specialistische kennis in huis. Deze kennis delen en doelgericht inzetten ten behoeve van de cliŽnt, daar zijn onze advocaten goed in!"

#124 De Hoge Raad gaat om

De Hoge Raad gaat zelden om. De achterliggende gedachte is dat de burger er vanuit moet kunnen gaan dat regels niet zomaar veranderen. In het arrest van 5 juli 2019 gaat de Hoge Raad toch expliciet om.[1]De nieuwe koers van de Hoge Raad houdt in dat per 1 augustus de belastingplichtige ook bij een opgelegde boete moet bewijzen dat een termijnoverschrijding niet aan hem te wijten is. De rechtsbescherming bij boeten gaat er op achteruit terwijl het niet nodig is dat de Hoge Raad deze stap terug zet. Het is de vraag of deze bewijslastverdeling door de EHRM-beugel kan, met name omdat het niet makkelijk is om het vermoeden van ontvangst van de boetebeschikking te ontzenuwen.

De Hoge Raad gaat om

De Hoge Raad komt terug op zijn arrest van 22 juni 1988.[2] In dat arrest is geoordeeld over de situatie waarin een beboete belastingplichtige stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten. Als dan geen zekerheid valt te verkrijgen over de juistheid van de stelling mag dat niet voor risico van de beboete belastingplichtige komen. De regels die gelden voor een buiten de termijn gemaakt bezwaar tegen een belastingaanslag gelden om die reden niet voor de boete.

Dit is een prima uitgangspunt waarmee wordt voorkomen dat een boetebeschikking vast komt te staan die bijvoorbeeld door een fout in de postbezorging niet wordt ontvangen. Toch komt de Hoge Raad hierop terug. Voor de rechtsbescherming van de beboete belastingplichtige is dat een achteruitgang. Concreet betekent dit dat ook bij procedures over een boete de belastingplichtige het vermoeden van ontvangst van de boetebeschikking moet ontzenuwen. Hij hoeft niet aannemelijk te maken dat het stuk niet op het adres is ontvangen of aangeboden. De belastingplichtige zal met een plausibele verklaring moeten komen waardoor aan de ontvangst van de boetebeschikking wordt getwijfeld. Dat is niet eenvoudig omdat een belastingplichtige vaak gewoonweg niet weet waarom een beschikking niet is ontvangen. En hoe kan een belastingplichtige geloofwaardig maken dat hij iets niet heeft ontvangen?

De Hoge Raad komt terug op het arrest uit 1988 omdat in de rechtspraak over verkeersboetes en bestuurlijke boetes inmiddels een andere opvatting gebruikelijk is. Daarom is er volgens de Hoge Raad geen reden om bij fiscale bestuurlijke boetes een afwijkende benadering te volgen.

Omgaan niet nodig

Artikel 6 EVRM dwingt volgens de Hoge Raad niet tot de opvatting die in 1988 bestond. Dat betekent echter niet dat de Hoge Raad van zijn opvatting moet terugkomen en bij fiscale boeten de hogere rechtsbescherming had kunnen handhaven.

Overigens zijn wij er niet van overtuigd dat de nieuwe bewijsregels van de Hoge Raad in overeenstemming zijn met artikel 6 EVRM. De Hoge Raad verwijst ter onderbouwing van zijn oordeel naar het arrest EHRM Van Harn t. Duitsland.[3] Dit arrest zegt naar onze mening niets over de situatie waarin een belastingplichtige te laat bezwaar maakt omdat hij de fiscale boetebeschikking niet heeft ontvangen.

Het EHRM overwoog in dat arrest allereerst dat van een verzoeker mag worden verwacht dat hij door het nationale recht geboden waarborgen kan inroepen om toegang tot de rechter te krijgen:

“In this respect the Court recalls that an applicant may be expected to avail himself of the safeguards provided by national law in order to ensure access to a court for an examination on the merits of his complaints” 

In dit arrest stond de ontvangst van de boetebeschikking niet ter discussie. Verzoeker stelde dat de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar wegens termijnoverschrijding achterwege moest blijven omdat hij de Duitse taal niet machtig was. Verzoeker heeft echter in de nationale procedure niet gesteld dat hij de Duitse taal niet machtig is. Het EHRM concludeert dan ook dat het aan verzoeker zelf te wijten is dat de bestuurlijke boete niet aan een gerechtelijke toets is onderworpen en daarmee kan niet worden gesteld dat verzoeker de toegang tot de rechter is ontzegd. Daarmee is dit arrest niet van grote betekenis voor de vraag of een rechtsgang mag worden onthouden als een belastingplichtige het vermoeden van ontvangst van de beschikking niet kan ontzenuwen.

Ruimte feitenrechter

Nog steeds van belang is het arrest Bendenoun waarin het EHRM heeft geoordeeld dat bestuursrechtelijke autoriteiten boetes mogen opleggen mits dit wordt gecompenseerd met toegang tot de rechter.[4] Dit is naar onze mening reden genoeg om met de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel tegen een boete minder streng om te gaan, dan in het geval dat geen sprake is van een boete. De feitenrechter heeft in het kader van de beoordeling van bewijs nog steeds die ruimte. Hij kan snel tot het oordeel komen dat het vermoeden van ontvangst is ontzenuwd zodat toch een rechtsgang tegen de boete mogelijk is. In dat geval wordt de soep niet zo heet gegeten als zij is opgediend.

 

 

[1] HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.

[2] HR 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854, BNB 1988/292.

[3] EHRM 11 september 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0911DEC000755703 (Van Harn t. Duitsland).

[4] EHRM  24 februari 1994, nr. 3/1993/398/476, ECLI:NL:XX:1994:ZB5298.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}