ďPassie voor het recht, inleven in de positie van mijn cliŽnt, doordachte juridische argumenten vinden - dat is wat mij drijft.Ē

#112 De oprechte fout

Staatssecretaris van financiën Menno Snel heeft op 4 april 2019 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd waarin hij de Kamerleden informeert over de stand van zaken van enkele openstaande moties en toezeggingen. In de paragraaf over de stand van zaken met betrekking tot de inkeerregeling viel ons oog in het bijzonder op een aantal passages over ‘de oprechte fout’.

Zonder opzet of grove schuld geen vergrijpboete

Op verzoek van de Tweede Kamer schenkt Snel aandacht aan de vraag hoe bij belastingplichtigen, die oprecht een fout in hun aangifte hebben gemaakt, de vrees voor beboeting kan worden weggenomen. Het antwoord van Snel luidt dat voor het opleggen van een boete sprake moet zijn van grove schuld of opzet. Een oprechte fout is niet aan te merken als grove schuld of opzet, zodat in dat geval dus ook niet voor een boete gevreesd hoeft te worden. Snel vervolgt dat het daarom ook geen toegevoegde waarde heeft om in de wet op te nemen dat bij een oprechte fout geen vergrijpboete moet worden opgelegd.

Op het eerste gezicht een juridisch foutloos antwoord van Snel. Toch menen wij bij nader inzien dat dit deel van de brief van Snel tot misverstanden zou kunnen leiden.

Wat maakt een fout oprecht?

Om te beginnen menen wij dat het begrip ‘oprechte fout’ gemakkelijk beschouwd kan worden als een extra drempel voor een vrijstelling van beboeting. Wat moet worden verstaan onder een oprechte fout? Wat maakt een fout oprecht? En wat niet? Het woord oprecht staat min of meer synoniem voor eerlijk. Maar hoe moet worden beoordeeld of een fout ‘eerlijk’ is gemaakt? Wij hebben geen idee. Naar onze mening is fouten maken menselijk. Van fouten kunnen wij leren. Het is dan ook om die reden altijd zo geweest dat het maken van fouten als zodanig niet strafbaar of beboetbaar is. Het toevoegen van het voorvoegsel ‘oprecht’ creëert eerder onzekerheid dan dat het de burger meer comfort geeft tegen het gevaar van onterechte boeten.

Bovendien wordt met de introductie van de oprechte fout gemakkelijk een situatie in het leven geroepen waarin uiteindelijk toch op de burger de last komt te rusten dat hij of zij moet bewijzen dat een fout oprecht is gemaakt. De inspecteur zal immers redeneren: wie is beter in staat de oprechtheid te bewijzen dan de burger of de onderneming zelf? Dat zou een onjuiste en gevaarlijke route zijn. Indien de belastinginspecteur van mening is dat een boete moet worden opgelegd, ligt op hem de bewijslast voor de opzet of grove schuld. De belastingplichtige wordt voor onschuldig gehouden totdat het tegendeel is bewezen. Dit in internationale verdragen verankerde grondrecht moet in ere worden gehouden en mag op geen enkele wijze worden uitgehold. Daar komt bovendien nog eens bij dat een vergrijpboete alleen kan worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove schuld. Dat betekent dat de inspecteur over een hoge horde moet springen. Grove schuld ligt dicht tegen opzet aan. Minder grove schuld, bijvoorbeeld slordigheid, rechtvaardigt dus geen boete. Dat laat dan ook zien dat niet alleen bij een oprechte fout geen boete opgelegd mag worden. Ook andere vormen van fouten die niet in de buurt van opzet liggen mogen niet met een vergrijpboete worden bestraft.

Ook al wordt de fout niet hersteld, toch geen boete

Ten slotte zien wij in het antwoord van Snel nog een andere adder onder het gras kronkelen. Hij schrijft: “Een geschikte andere manier is goede voorlichting, waarin duidelijk wordt gemaakt dat vergissen menselijk is en een vergissing kan worden hersteld zonder bang te hoeven zijn voor een boete.” Natuurlijk is het zo dat het tijdig herstellen van een fout via de inkeerregeling (voor zover nog van toepassing) de garantie geeft dat geen vergrijpboete zal worden opgelegd. Maar deze opmerking mag er niet toe leiden dat een belastingplichtige, die zijn fout niet herstelt, in een verkeerd daglicht komt te staan. De wet kent inmiddels een paar gevallen waarin een verplichting bestaat tot het herstellen van fouten (de suppletieplicht is daarvan de meest bekende). Maar buiten die paar gevallen noopt de wet niet tot het herstellen van fouten. Voor de vraag of een vergrijpboete mag worden opgelegd is uitsluitend van belang of de belastingplichtige opzet of grove schuld had op het moment dat een fout werd gemaakt. Kan de inspecteur die opzet of grove schuld niet bewijzen, dan moet een boete achterwege blijven. Ook als blijkt dat de belastingplichtige de fout later heeft ontdekt en niet heeft gecorrigeerd.

Snel kondigt aan dat hij de angst voor beboeting wil wegnemen via voorlichting door de Belastingdienst. Dat lijkt ons zonde van het geld. Hij zou vooral moeten insteken op voorlichting aan zijn eigen organisatie. Inspecteurs moeten veel voorzichtiger zijn bij het gebruik maken van de bevoegdheid om een vergrijpboete op te leggen. Juist bij inspecteurs moet meer het besef doordringen dat fouten maken menselijk is en een boete slechts bij uitzondering aan de orde zal zijn. Geen woorden maar daden.

Naar overzicht

Heeft u vragen of wilt u reageren?

Stuur uw vraag of opmerking via onderstaand contactformulier. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een antwoord of we nemen contact met u op.

Volledige naam *
E-mailadres *
Telefoonnummer *
Onderwerp nieuwsbrief
Bericht *
Waar heeft u een vraag over?
 
 

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}