"Wij hebben oog voor de menselijke factor in de machtsverhouding tussen partijen."

Hertoghs Beschouwt

Bitcoins, cryptovaluta en fiscaliteit

De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs gereageerd op een WOB-verzoek van het FutD over de fiscale aspecten rondom cryptovaluta, zoals Bitcoin. In diverse bijlagen bij zijn brief wordt ingegaan op de fiscale behandeling van deze valuta en onduidelijkheden dienaangaande. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheid om eigenaren van deze digitale valuta te achterhalen. Tevens komt naar voren dat bitcoins behoren tot het vermogen in box 3 en kunnen als inkomsten of omzet gelden, zodat de vraag gesteld kan worden of inkeer mogelijk is en hoe moet worden omgegaan met bijvoorbeeld de navorderingstermijn. Duidelijk is dat de digitale munt zijn weg nog moet vinden binnen de fiscale regelgeving.

Alsnog medische BTW-vrijstelling en schadevergoeding?

In de praktijk bestaat al sinds jaar en dag veel onduidelijkheid en discussie over de toepassing van de medische BTW-vrijstelling en de daarmee samenhangende fiscale neutraliteit. Daarom kan overleg met een inspecteur over de toepassing van de medische vrijstelling zeker de moeite waard zijn. En als dit overleg met de inspecteur onverhoopt niet het gewenste resultaat oplevert, dan is het uiteraard mogelijk om de gang naar de rechter te maken. In dat geval behoort een vordering tot schadevergoeding ook tot de mogelijkheden. Een goede onderbouwing is dan van essentieel belang.

Europese uitvoeringsverordening (deels) ongeldig: vermindering douanerechten

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs een belangwekkend arrest voor het douanerecht gewezen, met name omdat daarin de verhouding tussen een basisverordening van de Europese Raad en een uitvoeringsverordening van de Europese Commissie tot uitdrukking komt. Het arrest laat zien dat een in de uitvoeringsverordening vastgestelde bepaling in strijd kan zijn met de basisverordening en in dat geval ongeldig dient te worden verklaard. Een unieke situatie die in dit geval tot een (aanzienlijke) vermindering van te betalen douanerechten leidde.

‘Digitale op de zaak betrekking hebbende stukken’

Of bepaalde stukken kwalificeren als ‘op de zaak betrekking hebbend’ staat in fiscale procedures met regelmaat ter discussie. In dat kader nam A-G IJzerman recent conclusies in maar liefst zeven zaken. In één van die zaken ging het om de vraag of een computerbestand (een database) in zijn geheel tot de ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ behoort. De A-G meent van wel. Die conclusie onderschrijven wij uiteraard. Desalniettemin plaatsen wij in ons blog nog enkele kanttekeningen bij zijn overwegingen. Met name omdat de discussie omtrent digitale databases en gegevens reeds vele jaren actueel is. En niet, zoals de A-G betoogt, slechts samenhangt met de toekomstige ontwikkeling van digitaal procederen.

WIB voor 2014 … those were the good days

Het arrest van het Hof van Justitie EU van 16 mei 2017 (Berlioz) heeft de laatste tijd weer de nodige pennen in beweging gebracht. En niet zonder reden. Het arrest gaat namelijk over rechtsbescherming in het kader van gegevensuitwisseling in Europees verband. En daar schort het sinds 2014 behoorlijk aan. De huidige WIB is in strijd met het Handvest en het verdedigingsbeginsel. Het wordt tijd dat de wetgever de rechtsbescherming in ere herstelt en de WIB in lijn brengt met de Europese eisen.

Pleitbaar standpunt in het strafrecht: it’s a wrap!

In Hertoghs Beschouwt #15 beschouwt van 16 mei 2017 en van 12 september 2017 (#32) hebben wij aandacht besteed aan het Credit Suisse-arrest, waarin de belastingkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een pleitbaar standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld. Opmerkelijk was dat de belastingkamer van de Hoge Raad in dit arrest ook in gaat op (on)mogelijke strafvervolging in relatie tot een pleitbaar standpunt. Het wachten was op uitsluitsel van de strafkamer van de Hoge Raad. Op 3 oktober 2017 is het eerste arrest gewezen, waarin de strafkamer de overwegingen van de belastingkamer letterlijk overneemt. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad ook dat een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag niet als bewijs van enig feit kan dienen. Van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Sr is dan geen sprake.

Vertrouwensbeginsel in het douanerecht – (te) beperkte toepassing!

In het douanerecht komt het geregeld voor dat de douane in eerste instantie te weinig – of zelfs geen – douanerechten heeft geheven, terwijl de douaneautoriteiten naderhand tot de ontdekking komen dat dat onjuist is. De douane heeft zich dan “vergist” en de douanerechten worden nagevorderd. Dikwijls brengt de douaneschuldenaar hier tegen in dat deze vergissing voor rekening van de douane moet blijven en dat navordering niet terecht is. Helaas blijkt uit de jurisprudentie maar al te vaak dat de rechter een beroep op het vertrouwensbeginsel niet honoreert. In twee recente uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland wordt dit nog eens bevestigd. Een vergissing van de douaneautoriteiten komt daarmee onredelijk vaak voor rekening en risico van de belastingplichtige.

Ne bis in idem: A-G Hof van Justitie EU adviseert jurisprudentie EHRM niet te volgen

Het ne bis in idembeginsel houdt in dat iemand niet tweemaal mag worden bestraft voor hetzelfde feit. Het EHRM heeft recent de jurisprudentie over het ne bis in idembeginsel aangescherpt. Deze aanscherping houdt in dat geen sprake is van dubbele bestraffing indien tussen de procedures een voldoende temporeel en materieel verband bestaat. Naar aanleiding van deze aanscherping gaat Advocaat-Generaal Sánchez-Bordona na of het HvJ EU deze aanscherping moet overnemen bij de toetsing aan het ne bis in idembeginsel. De A-G adviseert het HvJ EU na een grondige analyse om deze aanscherping niet over te nemen. Indien deze conclusie wordt gevolgd ontstaan in Europa twee verschillende toepassingen van het ne bis in idembeginsel.

Internetconsultatie openbaarmaking vergrijpboeten deelnemers

De staatssecretaris van financiën stelt in een brief van 17 januari 2017 voor om vergrijpboeten die zijn opgelegd aan deelnemers aan belastingfraude te openbaren. In een op 20 juli 2017 gepubliceerde beleidsnota van 7 juli 2017 herhaalt hij dat voorstel nog eens en vraagt hij om een reactie. Van die gelegenheid maken wij natuurlijk graag gebruik.

Beperking van de reikwijdte van het procesbelang?

Wanneer een procesbelang ontbreekt, word je niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar of (hoger/cassatie) beroep. Het procesbelang is dan ook vaak een twistpunt in een geding. Zo ook bij twee, van elkaar onafhankelijke, zaken tegen een “parkeerboete". In beide zaken wordt geoordeeld over de eventuele grenzen aan het bestaan van een procesbelang. Een korte beschouwing hierover, nu de reikwijdte van het procesbelang voor de gehele fiscale procespraktijk relevant is.

Arrest van de Hoge Raad over pleitbaar standpunt niet verwarrend; niettemin blijft “close reading” geboden

De Hoge Raad heeft op 11 augustus 2017 een arrest gewezen over de pleitbaarheid van een standpunt en (daarmee) over de vraag of een vergrijpboete al dan niet terecht was opgelegd. Deze cassatieprocedure werd gevoerd door Hertoghs advocaten. In de vakpers is gesignaleerd dat de Hoge Raad met dit arrest verwarring schept, en dat niet duidelijk is of bij de pleitbaarheid van het standpunt ook subjectieve elementen een rol spelen. Het arrest is echter helemaal niet zo verwarrend (waarmee niet is gezegd dat het oordeel van de Hoge Raad door een ieder gedeeld zal worden).

Prejudiciële vragen aan Hoge Raad: van Breda naar Den Haag

Veel rechtsvragen bereiken de Hoge Raad niet omdat de belastingplichtige niet zit te wachten op de onzekerheid en kosten die een langlopende procedure tot aan de Hoge Raad met zich meebrengt. Om ervoor te zorgen dat rechtsvragen sneller bij de Hoge Raad kunnen komen is met ingang van 1 januari 2016 de prejudiciële procedure ingevoerd. Daarmee kunnen feitenrechters rechtsvragen voorleggen aan de Hoge Raad. Nu deze procesvorm ruim anderhalf jaar bestaat en de Hoge Raad onlangs de eerste vragen heeft beantwoord, is het een mooi moment om een eerste balans op te maken. Daarbij valt bij raadpleging van de website van de Hoge Raad direct op dat alle prejudiciële vragen afkomstig zijn van rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda en dat deze rechtsvragen allemaal zien op internationale problematiek .

Advocaat bij verhoor: efficiënt!

In het Tijdschrift voor de Politie is recent een artikel verschenen van Imke Rispens, Jos Hoekendijk en Martijn van Dijk (recherchepsychologen en verhoordocenten) met een analyse van het verdachtenverhoor in de huidige tijd. Zij gaan in op de vraag of het verdachtenverhoor in de nabije toekomst nog wel als één van de belangrijkste opsporingsmiddelen moet gelden. Eén van de ontwikkelingen die zij in dit kader bespreken is de rol van de advocaat. Deze wordt door hen als efficiënt bestempeld. Daarnaast geven zij in overweging om voorafgaand aan het verhoor een deel van het bewijs te onthullen, zodat een inschatting kan worden gemaakt over de proceshouding van zijn cliënt. Deze conclusies kunnen wij uiteraard volledig delen.

Schikken in strafzaken: gemengde gevoelens

Dat wij in Nederland de mogelijkheid hebben om een strafzaak met een transactie te beëindigen, is mooi. Die moet ook zeker in de gereedschapskist van het Openbaar Ministerie blijven. Niettemin zou er meer oog moeten zijn voor de schaduwkanten van die praktijk. Wij geven daarvoor een aanzet in de “Hertoghs Beschouwt” van deze week.

Rechtsbescherming in het douanerecht

Dagelijks wordt via onze buitengrenzen een groot aantal goederen ingevoerd. Nadat de goederen bij de douane zijn aangebracht, kunnen zij worden aangegeven voor het vrije verkeer (door middel van zogenoemde “invoeraangiften”), maar ook onder douanetoezicht blijven om te worden vervoerd, opgeslagen of verwerkt, om pas daarna (eventueel) te worden aangegeven voor het vrije verkeer. In de meeste gevallen levert de toepassing van de douanewetgeving geen problemen op. Maar als een belanghebbende het niet eens is met een beslissing van de douane (bijvoorbeeld over het toe te passen douanetarief), dan zijn er diverse mogelijkheden om de beslissing aan te vechten.

Bij inkeer altijd de laagst mogelijke straf!

Krijg ik bij inkeer een boete opgelegd, en zo ja hoe hoog? Sinds de eerste wijziging van de inkeerregeling per 2010 verschillen belastingplichtigen en de Belastingdienst daarover van mening. Rechtbank Gelderland gaf hierop onlangs het antwoord dat vanwege het legaliteitsbeginsel bij inkeer altijd de laagste straf geldt. Dat oordeel is wat ons betreft geheel terecht, maar is wel tegen het zere been van de overheid. Het demissionair kabinet wil de werking van de inkeerregeling immers ernstig inperken, ook voor het verleden. De boeteoplegging in inkeerzaken is dan ook een principiële kwestie waarover de Hoge Raad zal moeten beslissen.

Nieuwe aanpak van belastingontduiking: een gerechtvaardigde overheidsinterventie?

Op 24 juli jl. verscheen het bericht dat demissionair staatssecretaris van Financiën Wiebes een internetconsultatie is gestart voor een reeks maatregelen tegen belastingontwijking en –ontduiking. De consultatie ziet onder meer op vier concrete invorderingsmaatregelen waarbij terugwerkende kracht is voorzien tot en met 22 juli jl. Voorgesteld wordt aansprakelijkheid te verruimen en verhogen, bekendmaking van aanslagen ten behoeve van de invordering te vergemakkelijken en de groep van informatieplichtigen in het kader van de invordering te vergroten. Rechtsbescherming is hier het ondergeschoven kind.

In Nederland verdiende omzet op een buitenlandse rekening gestort? Geen 12-jaars navorderingstermijn

Op 28 juni jl. heeft Advocaat-Generaal IJzerman twee conclusies uitgebracht over de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR. Daarin staat de vraag centraal of over winst die in Nederland is behaald en daarna op een buitenlandse bankrekening is gestort, kan worden nagevorderd met de verlengde navorderingstermijn? De A-G is hier duidelijk over: nee, dat kan niet. En passant concludeert de A-G ook dat de vraag of een navorderingsbevoegdheid aanwezig is moet worden beantwoord met toepassing van de normale bewijslastverdeling: de inspecteur moet dus bewijzen dat hij kan navorderen. Indien een navorderingsbevoegdheid aanwezig is komt pas de vraag aan de orde of de vereiste aangifte is gedaan en de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is.

Massaal bezwaar btw-correctie privégebruik auto: toch een individuele uitspraak op bezwaar?

Per 1 juli 2011 zijn ingrijpende wijzigingen doorgevoerd in de heffing van btw over het privégebruik van een auto van de zaak. Deze wetswijziging heeft geleid tot een ware tsunami aan bezwaarschriften. Tot op heden heeft de belastingdienst circa twee miljoen bezwaarschriften ontvangen die betrekking hebben op deze materie. De Staatssecretaris heeft deze bezwaren aangewezen als een collectief massaal bezwaar. De Hoge Raad heeft op 21 april 2017 beslist op de belangrijkste rechtsvragen en belanghebbenden deels in het gelijk gesteld. De belastingdienst heeft ondernemers tot 15 juli 2017 in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren nader te motiveren en aannemelijk te maken dat de bijtelling van het forfait voor hen te hoog uitvalt. In dit artikel betogen wij dat deze termijn geen fatale termijn is en dat ons inziens voor wat betreft de feitelijke vraag een individuele uitspraak op bezwaar dient te volgen. Tegen een individuele afzonderlijke uitspraak op bezwaar staat - in tegenstelling tot de collectieve uitspraak - voor iedere belanghebbende wel beroep bij de rechtbank open. Ook indien geen teruggaaf wordt verleend staan – ook na november 2017 – nog rechtsmiddelen open, waaronder beroep tegen de weigering uitspraak op bezwaar te doen. Biedt de fiscale rechtsgang geen soelaas, dan rest slechts een gang naar de civiele rechter.

Verdedigingsbeginsel: “andere afloop”-toets volop in beweging

Leidt schending van het verdedigingsbeginsel tot vernietiging van de belastingaanslag? Het antwoord op die vraag houdt de gemoederen in de Nederlandse belastingpraktijk al geruime tijd bezig. Wij gaan nader in op de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van het verdedigingsbeginsel en geven inzicht in de wijze waarop de Hoge Raad thans invulling geeft aan de schending van het verdedigingsbeginsel.

Jaarverslag Hoge Raad: ontwikkelingen belastingkamer

Ook dit jaar heeft de Hoge Raad weer een jaarverslag opgesteld. Voor de praktijk is het nuttig dit jaarverslag over het jaar 2016 te raadplegen omdat daarmee inzicht wordt verkregen in de richting waar de Hoge Raad opgaat en welke zaken de Hoge Raad zelf maatschappelijk belangwekkend vindt. Ons cassatieteam bespreekt een aantal onderdelen uit het jaarverslag en licht het belang voor de praktijk toe. Allereerst wordt ingegaan op de drie taken van de Hoge Raad namelijk rechtsbescherming, rechtsontwikkeling en rechtseenheid waarbij bijvoorbeeld de toekomstige mogelijkheid voor de Hoge Raad om advies aan het EHRM te vragen aan bod komt. Ook wordt ingegaan op nieuwe werkstromen zoals prejudiciële vragen die de feitenrechters aan de Hoge Raad kunnen stellen en beroep in cassatie tegen uitspraken van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van het Caribisch deel van het Koninkrijk. Tot slot wordt ingegaan op het toenemende belang van internationale verdragen en het Europees recht zoals het Handvest van de Grondrechten.

Mediation in fiscale geschillen: eensgezind met wetgeving vooruit

In de fiscale procespraktijk eindigt een conflict lang niet altijd met een beslissing van de belastingrechter. Regelmatig komt het voor dat een zaak tussen belastingdienst en belastingplichtige buiten rechte kan worden opgelost. In onze praktijk is Roelof Vos werkzaam die zowel advocaat als ook MfN mediator is. Hieronder gaat hij in op de rol van mediation bij fiscale geschilbeslechting en - de noodzaak van - wetgeving ter bevordering van mediation.

Mediation heeft bij fiscale geschillen tussen overheid en burger de afgelopen jaren een bescheiden plekje veroverd. Waarom wordt er niet meer gebruik van gemaakt? Soms is het de onbekendheid - bij vooral de belastingplichtige - met en/of onduidelijkheid over mediation. In de praktijk zie ik vaak dat de belastingdienst een verzoek om mediation afwijst. Hoe komt dat? Wil de betrokken ambtenaar geen ‘pottenkijker’ in het dossier? Ligt een mogelijke strafzaak op de loer, dan is dat soms reden voor de belastingdienst geen mediation te willen. En ik hoor ook wel dat de fiscus mediation als een hinderlijke vertraging ziet van de afwikkeling van de zaak. Eigenlijk begrijp ik - afgezien van strafzaken - niet goed waarom mediation wordt geweigerd. Van de overheid mag toch in elk geval een open houding worden verwacht ten aanzien van een goed gesprek.

Hoge Raad: informatieverplichting versus bewaarplicht

In het arrest van 9 juni 2017 heeft de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat de bewaarplicht van artikel 52, lid 4, AWR en de informatieverplichting van artikel 47 AWR van elkaar te onderscheiden verplichtingen zijn. Dat oordeel is juridisch gezien goed te volgen. Echter in de praktijk is het lastig uit te leggen dat geen bewaarplicht bestaat maar wel gegevens moeten worden verstrekt, soms zelfs op straffe van dwangsommen. Ook gaat de Hoge Raad in op de mededeling op de website van de Belastingdienst dat de administratie na verloop van 7 jaar niet wordt opgevraagd.

Onschuldig is onschuldig!

Een van de belangrijkste mensenrechten is de in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde onschuldpresumptie. Iemand moet voor onschuldig worden gehouden totdat diens schuld conform de wet is vastgesteld. Indien het vaststellen van die schuld niet mogelijk is, mag ook overigens niet aan die onschuld worden getwijfeld. Dat deze onschuldpresumptie ook fiscale gevolgen heeft is door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nog eens benadrukt in de zaak Melo Tadeu tegen Portugal (applicatie nr. 27785/10). De Nederlandse belastingrechter worstelt nog behoorlijk met de duiding van dit arrest zo blijkt uit de recente arresten van 14 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:671) en van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:958).

Eerste oordeel over medeplegersboete: geen beste beurt

Rechtbank Gelderland heeft – voor zo ver bekend – als eerste rechter in Nederland een oordeel gegeven over een fiscale vergrijpboete die aan een medepleger – in dit geval een notaris – was opgelegd. De uitspraak is op 24 april 2017 in het openbaar uitgesproken. Aan de notaris werd als medepleger een boete opgelegd wegens het opzettelijk niet voldoen van overdrachtsbelasting. Het is opvallend te zien hoe de rechtbank de zaak onder het bereik van art. 5:1 Awb brengt. De rechtbank overweegt dat het verlenen van teruggaaf van overdrachtsbelasting als beboetbaar feit moet worden aangemerkt. Wat verder opvalt is dat de rechtbank voor het medeplegen van de notaris alleen beoordeelt of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de notaris en diens klant. Voor medeplegen dient immers ook te worden vastgesteld dat de medepleger opzet had op het vergrijp, én op de deelnemingshandeling. Het één noch het ander wordt door de rechtbank vastgesteld.

Openbaar Ministerie "had moeten weten" dat opzet is vereist

Op 9 mei 2017 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de consultatiebijstand, maar zeker ook ten aanzien van de eisen die aan bewijs van opzet worden gesteld. De zaak betrof een autohandelaar die onderdeel uitmaakte van een keten waarin btw-fraude had plaatsgevonden. Is “wist of behoorde te weten” voldoende voor opzet? Nee. Opzet is en blijft opzet. Dit had het OM toch moeten weten.

Project Niet-Melders: meer dan de ‘usual suspects’!

In een recent bericht van 1 mei 2017 wordt melding gemaakt van een onderzoek bij een accountant, notaris, advocaat en belastingadviseur. Vooral deze laatste kwestie valt op, omdat aan de belastingadviseur wordt verweten dat hij bij een inkeerprocedure geen melding heeft gemaakt van de criminele herkomst van gelden (verduistering). Nog los van de vraag of een melding bij het FIU wel toegevoegde waarde heeft nadat een inkeertraject is ingezet, kan van een belastingadviseur niet op voorhand worden verwacht dat hij gelden op een buitenlandse bankrekening aanmerkt als verduisterde gelden. Uit dit persbericht, maar ook in de media en op internet blijkt veel minder duidelijk dat niet alleen specifieke beroepsgroepen of bepaalde instellingen zoals banken en casino’s, maar ook alle dienstverleners of leveranciers onder de reikwijdte van de WWFT kunnen vallen als zij een contante betaling van meer dan € 15.000 accepteren. Overigens betekent dit nog niet dat iedere contante betaling direct een meldplicht met zich meebrengt.

Rechtsbescherming bij internationale inlichtingenuitwisseling in de lift

De rechtsbescherming bij internationale inlichtingenuitwisseling lijkt ver te zoeken, terwijl de mogelijkheden om informatie uit te wisselen aanzienlijk zijn verruimd en nog verder worden uitgebreid in de nabije toekomst. De kennisgeving van de inlichtingenuitwisseling is aan de belastingplichtige is afgeschaft en inzage in correspondentie tussen staten, waaronder het verzoek zelf, wordt veelal geweigerd in de procedure tegen een belastingaanslag. Met twee recente uitspraken van Hof Amsterdam en het Hof van Justitie van de Europese Unie is er weer enige verbetering te zien.

In de praktijk maken wij regelmatig mee dat Nederlandse belastingplichtigen geconfronteerd worden met omvangrijke inlichtingenverzoeken, waarbij bedrijfsgevoelige informatie dient te worden verstrekt en dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij een internationaal verzoek tot verstrekking van inlichtingen, met name in relatie tot de reikwijdte van het verzoek en het belang daarvan voor de belastingheffing in het buitenland. Deze jurisprudentie geeft derhalve ook voor de Nederlandse praktijk de nodige aanknopingspunten om een verzoek tot verstrekking van inlichtingen kritisch tegen het licht te houden en zo nodig aan de rechter voor te leggen.

Hof van Justitie: toepassing Europese indelingsverordening niet noodzakelijk en mogelijk

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs een belangrijk arrest voor het douanerecht gewezen, dat ook consequenties heeft voor Nederlandse importeurs. Het arrest laat zien dat toepassing van een indelingsverordening van de Europese Commissie voor de indeling van een product in bepaalde situaties niet mogelijk en noodzakelijk is.

Credit Suisse arresten: de formele rechtsregels

Op 21 april 2017 wees de Hoge Raad de nu al spraakmakende Credit Suisse arresten (HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638). Reikhalzend werd uitgekeken naar het oordeel van de Hoge Raad over de vraag of kort gezegd rente-aftrek door het gebruik van het Bosal-gat door de inspecteur kon worden gecorrigeerd met toepassing van het leerstuk fraus legis. Daarnaast werd veel verwacht van de oordelen van de Hoge Raad over de formele aspecten ten aanzien van de bevoegdheid tot navordering en de wijze van toepassing van het leerstuk van het pleitbaar standpunt. Gelet op de zaaksoverstijgende rechtsoverwegingen die de Hoge Raad over deze twee leerstukken geeft analyseren wij deze rechtsoverwegingen en gaan wij na wat deze voor de praktijk betekenen.

Financiën ruimt op

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft bekend gemaakt dat hij het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst niet meer nodig acht. (Brief 10 mei 2017, kenmerk 2017-0000092216) Het is aan het nieuwe kabinet om te beslissen of dit wetsvoorstel wordt ingetrokken.

Waar zag dit wetsvoorstel ook al weer op? Ingewikkeld, dat is wat is blijven hangen. De Staatssecretaris wenste een nieuw heffingssysteem op te tuigen met korte termijnen en onderscheid tussen kwaadwillende burgers en goedwillende burgers. Destijds in het jaar 2013 was er veel kritiek op dit wetsvoorstel.

Oproep tot wijziging van artikel 52a AWR: een evenwichtiger systeem

Op 1 juli 2011 zag de wet-Dezentjé het fiscale levenslicht. Sindsdien is het nodige verschenen over de werking en reikwijdte van artikel 52a AWR en de daarin vervatte informatiebeschikking. Zo ook recent in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 maart 2017. In die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de informatiebeschikking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en als gevolg daarvan geen stand hield. Deze uitspraak laat zien dat de wet-Dezentjé zijn rechtsbeschermend effect heeft. Maar dit toont ook dat het zelfreinigend effect van deze wet nog niet is behaald. Om dit een handje te helpen zou de wet kunnen worden aangepast naar een evenwichtiger systeem.

Kan de geheimhoudende inspecteur met een voorlopige voorziening tot het verlenen van inzage worden gedwongen?

Op 2 februari 2017 oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland dat belanghebbende wel kan verzoeken om inzage in alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarbij wordt opgemerkt dat wordt afgeweken van de door de inspecteur aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, van 22 februari 2016. In die uitspraak werd, in afwijking van andere uitspraken van voorzieningenrechters op dit gebied, geoordeeld dat niet door middel van een voorlopige voorziening inzage kan worden verkregen in de stukken. De uitspraak van de Rechtbank Gelderland is ons inziens de juiste, omdat die zorgt voor meer evenwicht in de ongelijkwaardige verhouding tussen overheid en burger.

Artikel 10a AWR: wel beboetbaar, niet strafbaar!

Op 1 januari 2012 is artikel 10a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in werking getreden: belasting- of inhoudingsplichtigen moeten zelf onjuistheden en onvolledigheden in hun aangiften omzetbelasting melden. Sindsdien is het niet doen van deze suppletie beboetbaar gesteld in artikel 10a jo. 15 van het Uitvoeringsbesluit Omzetbelasting 1968 (UB OB). Afgelopen jaar zagen we echter dat artikel 10a AWR ook wordt ingezet door het Openbaar Ministerie in het strafrecht. Maar de vraag is of artikel 10a AWR zich wel leent voor een strafrechtelijke vervolging? Noch uit de parlementaire geschiedenis of de wetsbepalingen of wetssystematiek blijkt dat met artikel 10a AWR jo. 15 UB OB een strafbaarstelling van de suppletie verplichting is beoogd. Wij menen dan ook dat een strafvervolging hiervan in strijd is met het legaliteitsbeginsel, zoals genoemd in artikel 1 Sr en 7 EVRM. Dus het niet voldoen aan artikel 10 AWR is wellicht wel beboetbaar, maar niet strafbaar.

Aanmaning vereist bij omkering bewijslast bij niet doen van vereiste aangifte

De Hoge Raad heeft weinig woorden nodig om een oordeel te vellen over de noodzaak van een aanmaning om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast bij het niet doen van de vereiste aangifte. Om te voorkomen dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte loont het derhalve de moeite om te controleren of de uitnodiging tot het doen van aangifte, maar ook de herinnering en de aanmaning wel zijn ontvangen. Gelet op de rechtseenheid die de Hoge Raad wenst na te streven menen wij dat ook bij een opgelegde vergrijpboete of strafvervolging wegens het (opzettelijk) niet doen van een belastingaangifte een vergelijkbaar verweer over het niet ontvangen van een aanmaning aan beboeting of strafvervolging in de weg staat.

Accijnsheffing: voorhanden hebben zonder wetenschap?!

De Rechtbank Gelderland heeft onlangs een opmerkelijke uitspraak in een accijnszaak gedaan. In haar uitspraak concludeert de rechtbank dat het voor de heffing van accijns vanwege “het voorhanden hebben” van accijnsgoederen die (ten onrechte) niet in de heffing zijn betrokken, niet vereist is dat degene die deze goederen voorhanden had daar ook wetenschap van had. Een opmerkelijke uitspraak omdat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad het zogenoemde “wetenschapsvereiste” wel van belang is.

A-G Niessen geeft inkijkje bij de Hoge Raad

Advocaat-Generaal Niessen heeft in een conclusie uitgebreid onderzoek verricht naar de wijze waarop artikel 80a Wet RO door de belastingkamer wordt toegepast. Daarbij beschrijft hij de werkwijze van de Hoge Raad bij de beoordeling of een zaak met artikel 80a Wet RO wordt afgedaan. Ook gaat hij in op kritiek uit de praktijk op afdoening door de Hoge Raad met artikel 80a Wet RO zonder motivering. Hij adviseert de Hoge Raad met standaardoverwegingen toe te lichten waarom een zaak met artikel 80a Wet RO wordt afgedaan. Tevens laat hij doorschemeren dat het ook gewenst is dat bij toepassing van artikel 81 Wet RO de Hoge Raad een toelichting daarbij geeft.

Niet elke fout is een kenbare fout

De inspecteur zet steeds vaker de kenbare fout van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR in om een navorderingsaanslag op te kunnen leggen. Hoewel de fout in deze bepaling een ruim begrip is, wil dit niet zeggen dat bij elke fout kan worden nagevorderd. De invoering van deze bepaling is geen vrijbrief voor de inspecteur voor het maken van fouten. Dit artikel is niet van toepassing als de inspecteur een beoordelingsfout maakt. Wanneer is een fout een beoordelingsfout? Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat van een automatiseringsfout geen sprake is als de automatisering werkt zoals werd verondersteld. In dat automatisering was destijds niet in een correctie van de fout voorzien. Het Hof kwam tot het oordeel dat de inspecteur de aangifte had beoordeeld en daarbij de correctie had moeten toepassen. De fout is in dit geval een beoordelingsfout zodat navordering niet mogelijk was.

De inzageplicht bij aansprakelijkstelling en de inhoud van het controledossier

Een aansprakelijkgestelde heeft volgens de Invorderingswet 1990 recht op inzage in alle gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld, voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep van belang kunnen zijn (artikel 49, lid 6, Invorderingswet 1990). En hoewel ook het beleid van de Ontvanger daarop is gericht, komt het toch nog te vaak voor dat aanslagen ontbreken in het dossier van de Ontvanger. Als Ontvangers stelselmatig en welbewust geen kopie verstrekken van de aanslagen waarvoor aansprakelijk is gesteld, kan dat ons inziens niet zonder gevolgen blijven. Betoogd zou kunnen worden dat bij gebrek aan originele gegevens de beschikking aansprakelijkstelling geen stand kan houden.

Een ander aspect dat in een aansprakelijkheidsprocedure vaak tot discussie leidt, zijn de stukken die ten grondslag liggen aan de onderliggende aanslagen. Daarvan getuigen ook de recente procedures bij de Hoge Raad van 2 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2722 en ECLI:NL:HR:2016:2724). Welke stukken tot de inhoud van het aansprakelijkheidsdossier behoren verschilt per zaak. Maar wanneer naheffings-/navorderingsaanslagen het gevolg zijn van een controle, biedt het Handboek Controle van de Belastingdienst, zoals dat op 16 maart 2017 naar aanleiding van een Wob-verzoek bekend is gemaakt, handvatten. Het is in bezwaar- en beroepsprocedures van groot belang om een compleet dossier te verlangen, ook in aansprakelijkheidsprocedures.

Common reporting standard - what's next?

Nederland gaat in 2017 voor de eerste keer financiële gegevens uitwisselen over het jaar 2016 onder de door de OESO ontwikkelde Common Reporting Standard (CRS).

In onze praktijk is gebleken dat in verschillende landen enige jaren geleden financiële producten zijn aangeboden, die niet onder de spaarrenterichtlijn vielen en waarover dus geen informatie werd uitgewisseld. Een aantal producten blijkt nu wél onder de CRS te moeten worden doorgegeven aan de belastingdienst.

Daarnaast verwachten wij dat de nodige discussie zal kunnen ontstaan over de fiscale woonplaats. Financiële instellingen zijn reeds op basis van bepaalde indicatoren verplicht om gegevens aan de lokale belastingdienst te verstrekken.

Kortom, indien uw financiële instelling in de eerdergenoemde landen nog geen contact met u heeft opgenomen om uw gegevens te verifiëren, kan het de moeite lonen om zelf na te gaan of de gegevens van uw financiële producten in het buitenland worden uitgewisseld en zo ja, aan welke staat.

Over de doden niets dan goeds: beboeting van overleden rechtspersonen?

Het blijft altijd wonderlijk te constateren dat door ‘overleden’ rechtspersonen wordt geprocedeerd. Het is immers zeer de vraag of een dergelijke rechtspersoon nog wel rechtsgeldig kan worden vertegenwoordigd en zo ja, door wie. Wellicht dat de neiging om in rechte op te komen ontstaat omdat het nog wonderlijker is dat aan ‘overleden’ rechtspersonen belastingaanslagen en boetes worden opgelegd. Zo ook in een recente procedure bij het Gerechtshof Amsterdam.

In het licht van het pleidooi van de president van de Hoge Raad om rechtseenheid te creëren binnen de kamers van de Hoge Raad begrijpen wij niet dat in fiscale zaken zou moeten worden afgeweken van de lijn die de Strafkamer van de Hoge Raad heeft uitgetekend, zeker niet na 1 juli 2009. Het zou mooi zijn als deze casus wordt voorgelegd aan de Belastingkamer van de Hoge Raad zodat uitsluitsel kan worden verkregen of het uitgangspunt van het arrest uit 2005 nog wel opgeld doet anno 2017.

De jacht op buitenlands vermogen gaat door

Op vrijdag 31 maart 2017 werd in de media veel aandacht besteed aan de FIOD-invallen bij vermeende zwartspaarders en kantoren van Credit Suisse. Daaruit blijkt dat de FIOD over gegevens beschikt van 3.800 Nederlanders die vermogen hebben aangehouden bij Credit Suisse in Zwitserland.

Deze FIOD-invallen en de inzet van het strafrecht bij de aanvang van een actie tegen vermeende zwartspaarders komt wel erg willekeurig voor, te meer nu de overige 3.798 Nederlanders nadrukkelijk worden geattendeerd op de inkeerregeling en dus via een fiscale afdoening alsnog de te weinig geheven belasting en een fikse boete betalen. In dit verband attenderen wij u erop dat afgelopen vrijdag eveneens de consultatieversie van het wetsvoorstel met het UBO-register is gepubliceerd (www.internetconsultatie.nl).

Wat kunt/moet u doen tegen deze registratie? De UBO kan een verzoek tot afscherming van zijn UBO-informatie indienen bij de Kamer van Koophandel bij blootstelling aan een risico op fraude, ontvoering, chantage, geweld of intimidatie, minderjarigheid of handelingsonbekwaamheid. Voor Wwft-instellingen ontstaat met deze wetgeving een nieuwe meldplicht (de zogenaamde terugmeldplicht). Gelet op het gewicht dat aan dit UBO-register op internationaal niveau wordt gehecht, zal dit nog wel de nodige discussie gaan opleveren.

Terugbetaling van douanerechten: tóch ruimte voor rentevergoeding

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs een belangwekkend arrest voor het douanerecht gewezen, dat ook consequenties heeft voor de Nederlandse praktijk. Het arrest laat zien dat een belastingplichtige in bepaalde situaties wel degelijk recht heeft op vergoeding van rente bij terugbetaling van invoerrechten, ook al bieden de wettelijke bepalingen daarvoor geen ruimte.

De dwangsom toch een straf?

De Belastingdienst zet steeds vaker het civiele recht in om informatie van de belastingplichtige af te dwingen. Bij de civiele rechter wordt een bevel gevorderd om op straffe van een dwangsom informatie aan de Belastingdienst te verstrekken. De dwangsom wordt ingezet naast de omkering en verzwaring van de bewijslast en aanslagen met vergrijpboeten als gevolg van het doen van vermeende onjuiste aangiften. Indien vergrijpboeten zijn opgelegd dan wel zijn aangekondigd is de belastingplichtige ‘charged’ in de zin van artikel 6 EVRM. Iemand die ‘charged’ is mag niet worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

De Hoge Raad oordeelt dat de dwangsom een prikkel tot nakoming is en geen punitieve sanctie. Hoewel het op het eerste gezicht lijkt dat daarmee de kous af is, kan uit dit arrest worden afgeleid dat de dwangsom onder omstandigheden een punitieve sanctie is. In dat geval moet de dwangsom van tafel omdat geen straf mag worden opgelegd voor het niet verstekken van informatie indien iemand ‘charged’ is. Ook kan dan het ne bis in idem-beginsel zijn geschonden. Lees de analyse van het arrest van de Hoge Raad om meer te weten te komen over de verhouding tussen de civiele en fiscale procedure en de kansen die er nog zijn, zoals de andere bewijslastverdeling die in een executiegeschil van toepassing is en het betoog dat de dwangsom dan geen prikkel tot nakoming meer is maar een straf is geworden.

Herleven vervallen navorderingsbevoegdheid niet mogelijk volgens Hoge Raad; volgt nu de onbeperktheid zelf nog?

Op 3 maart 2017 heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen over de vermeende onbeperkte navorderingsbevoegdheid met betrekking tot de erfbelasting en buitenlands vermogen (artikel 66, lid 3, Sw). De Hoge Raad heeft beslist dat navorderingstermijnen die al vervallen waren, niet herleven. Daarnaast kunnen grote vraagtekens worden gezet bij de onbeperktheid zelf. Dit is ons inziens in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de vrijheid van kapitaal.

Een digitale snelweg zonder landsgrenzen

De sterke arm van het Openbaar Ministerie reikt steeds verder, zeker daar waar het digitale gegevens betreft. Zo ook in de klaagschriftprocedure bij de Rechtbank Overijssel, waarin op 1 februari 2017 werd beslist. Klaagster stelt dat zij niet onder definities van artikel 126ng en artikel 126la Sv valt, omdat zij een toonaangevende leverancier van bedrijfssoftware van dienstverlenende organisaties is. Zij biedt een door een derde ontwikkeld cloud softwarepakket aan ter ondersteuning van de fiscale aangifte- en advieswerkzaamheden bij kleine, middelgrote en grote accountants- en administratiekantoren.

Hoewel de vereiste schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris een extra waarborg vormt bij deze vordering van gegevens, is onze ervaring dat een dergelijke machtiging zelden wordt geweigerd. Wij kunnen ons de zorg van deze softwareleverancier goed voorstellen. De praktijk zal uitwijzen of de zorg van deze leverancier ook werkelijkheid gaat worden. In dat geval is denkbaar dat een regelmatig terugkerende vordering in strijd zal zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder de ‘egalité devant les charges publiques’. Wellicht dat zelfs aan nadeelcompensatie moet worden gedacht.

Het werken in de cloud biedt een aantal praktische voordelen, maar uit deze casus blijkt dat de cloud een extra ingang biedt voor het Openbaar Ministerie om de daarin opgeslagen gegevens te verkrijgen. Dat geeft naar ons idee een extra afweging bij de ontwikkelingen op ICT-gebied, mee met de digitale snelweg naar een icloud-omgeving of toch liever een eigen server?

De mantel der liefde van de Belastingdienst

In de beantwoording van Kamervragen op 1 februari 2017 wordt onthuld dat dat de Belastingdienst in 2014 heeft geconcludeerd dat een deel van de geclaimde afdrachtvermindering niet kon worden onderbouwd met de onderliggende administratie. De opleidingsdocumentatie, leerwerkafspraken, studievoortgang, of de examencertificaten, waren niet in alle gevallen aanwezig in het opleidings-/of P-dossier van de medewerker voor wie de afdrachtvermindering was geclaimd, terwijl het op grond van het toen geldende artikel 14, zesde lid, van de WVA verplicht was om die bescheiden bij de loonadministratie te bewaren.
Het valt op dat de Belastingdienst kennelijk bereid is geweest om ook een belastingaanslag over het jaar 2008 te betalen, terwijl de naheffingstermijn daarvoor in 2014 reeds was verstreken. Bovendien moet worden opgemerkt dat de incompleetheid van personeelsdossiers over een periode van zes jaren klaarblijkelijk niet als een structurele omissie wordt gezien. Op grond waarvan de boete is vastgesteld, is niet gepubliceerd, maar het valt op dat dit een boete van maar liefst 2,44 procent betreft. Nog los van de argumenten die aan te voeren zijn tegen de boete als zodanig (pleitbaar standpunt), vormt deze berichtgeving in ieder geval aanleiding om een aanzienlijke matiging van de boete te bepleiten. Het zou toch aardig zijn als deze mantel der liefde niet alleen de Belastingdienst zelf bedekt.

Dubbele bestraffing in Nederland?

Volgens het ne bis in idem beginsel mag niemand voor hetzelfde feit tweemaal worden bestraft. In dat kader heeft het EHRM eind vorig jaar een zeer vergaand arrest gewezen, waarin zij concludeert dat bestuurlijke beboeting en strafrechtelijke vervolging bij voldoende samenhang tussen de procedures naast elkaar kunnen lopen. Dit arrest is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing op de Nederlandse praktijk, maar nodigt wel uit kritisch te kijken of in Nederland het ne bis in idem beginsel wel altijd wordt nageleefd.

Rechtsbescherming informatiebeschikking: één stap vooruit, twee stappen terug

Een onherroepelijke informatiebeschikking heeft niet automatisch omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg. Ook de rechter die over de aanslag oordeelt mag bij een onherroepelijke informatiebeschikking beoordelen of omkering en verzwaring van de bewijslast een passende sanctie is. Er zit nog een adder onder het gras, want dit geldt niet voor de beoordeling of de vragen rechtmatig zijn en de Hoge Raad legt de informatieverplichtingen ruim uit voor het geval de informatie zich bij derden bevindt.

HvJ EU geeft ruime uitleg aan standstillbepaling: voortvarendheidseis niet van toepassing

Het vrij verkeer van kapitaal is ook van toepassing in relatie tot derde landen. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat het vrij verkeer van kapitaal niet geldt bij het toepassen van de verlengde navorderingstermijn ten aanzien van het aanhouden van tegoeden bij een bank in een derde land. Deze situatie valt onder de standstillbepaling. Het gevolg is dat het voortvarendheidsvereiste niet van toepassing is. Ondanks dit arrest blijven mogelijkheden bestaan een beroep op het vrij verkeer van kapitaal te doen in relatie tot derde landen.

Grondrechten kom tot recht

In steeds meer fiscale zaken spelen grondrechten een belangrijke rol. Denk aan het recht op privacy en het eigendomsrecht maar ook aan artikel 6 EVRM in boetezaken. Op (korte) termijn kan de Hoge Raad aan het EHRM advies vragen over de toepassing en uitleg van de grondrechten. Hoe gaat dit in zijn werk, wat levert het op en wat zijn de gevolgen bij samenloop met grondrechten die in het Handvest worden gewaarborgd?

Eenvoudiger kunnen we het niet maken

Op 1 januari 2017 is een nieuwe strafbepaling ‘eenvoudig witwassen’ in werking getreden. Daarop vooruitlopend heeft de Hoge Raad op 13 december 2016 alvast van de gelegenheid gebruik gemaakt toe te lichten hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Hoewel praktische oplossingen kunnen worden gezocht door bijvoorbeeld een ontnemingsvordering af te wijzen na een fiscaal compromis (zie Rechtbank Amsterdam 21 december 2016, FutD 2017-0195), blijft het einde zoek in de voorfase van het opsporingsonderzoek. Witwassen lijkt het toverwoord voor de inzet van allerhande opsporingsbevoegdheden en een draconische wijze van beslaglegging door het Openbaar Ministerie. Eenvoudiger kunnen ze het niet maken?!

Objectief bezien een ijzersterk pleitbaar standpunt

Al enige tijd hangt de vraag boven het juridisch maaiveld of de belastingkamer van de Hoge Raad van mening blijft dat een pleitbaar standpunt dat is opgekomen na het feit dat tot de boete heeft geleid, aan die boete in de weg staat. Eind vorig jaar heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtskundig oordeel van het Hof als pleitbaar standpunt geldt. Dit bevestigt ons inziens de objectieve leer van de belastingkamer van de Hoge Raad.

Het codewoord is: “voldoende deskundig adviseur”

De discussies over de toepassing van de WVA (Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen) bij opleidingen slepen zich voort. Het heeft lang geduurd voordat duidelijk was dat geen recht op afdrachtvermindering bestond indien materieel aan alle voorwaarden was voldaan maar niet aan alle formele vereisten was voldaan (zie HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:201:1043 en HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:38). Gelet op de gedurende lange tijd aanwezige onduidelijkheid over de wijze waarop de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering moesten worden toegepast, zou je kunnen verwachten dat beboeting achterwege blijft. Het tegendeel is echter het geval. Het is naar onze mening zeer terecht dat de Hoge Raad de inschakeling van een deskundig adviseur als een wezenlijk element ziet voor de vraag of de belastingplichtige een verwijt kan worden gemaakt. Zeker bij fiscale heffingen waar veel discussie bestaat over de toepassing daarvan, zou beboeting achterwege moeten blijven. Wellicht hebben in deze casus ook de feiten een rol gespeeld. Het gaat om een bedrijf dat mensen heeft begeleid van een uitkeringssituatie naar een betaalde baan, nota bene in opdracht van de gemeente. Wij zijn benieuwd hoe deze zaak in verwijzing zal aflopen.

Me and my selfie

De mobiele telefoon van tegenwoordig is niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Men gaat ermee naar bed en staat ermee op. Het hele wel en wee van een persoon is te vinden op zijn telefoon. Het Wetboek van Strafvordering dateert van ver voor de digitale revolutie, dus het is aan de Hoge Raad (en uiteindelijk aan de wetgever) om de opsporingsbevoegdheden in evenwicht te brengen met de huidige tijd. Zo ook voor de mogelijkheden om te klagen tegen inbeslagname van een mobiele telefoon. Het blijft dus zaak om kritisch te kijken naar het inbeslaggenomen materiaal, zeker daar waar het digitale gegevens betreft. Ook daaraan voorafgaand, bij de inbeslagname zelf, is het nuttig om te bezien op welke wijze de inbeslagname plaatsvindt. Om de mogelijkheden open te houden om te klagen over inbeslaggenomen materiaal heeft het de voorkeur om digitale gegevens te laten onderzoeken c.q. doorzoeken in plaats van fysieke inbeslagname van voorwerpen, waarna een volledige kopie wordt gemaakt.

Zeg maar nee, dan krijg je er twee!?

De informatieverplichtingen van een belastingplichtige jegens de fiscus reiken ver. De middelen om deze af te dwingen zo mogelijk nog verder. Daarbij kijkt de fiscus graag over de grenzen van het fiscale recht heen. Zo ook in deze casus, waarbij aan een drugshandelaar substantiële belastingaanslagen zijn opgelegd. Hiervoor worden dwangbevelen opgelegd, die ten uitvoer worden gelegd door middel van gijzeling.

Hoewel de gelijkenis tussen lijfsdwang en een strafrechtelijke sanctie als gevangenisstraf wellicht meer tot de verbeelding spreekt, menen wij dat er goede argumenten zijn om te bepleiten dat ook de dwangsom als een sanctie moet worden aangemerkt. Het laatste woord is hier nog niet over gezegd, zeker niet nu uit persberichten van het Openbaar Ministerie blijkt dat de eerste strafvervolgingen wegens schending van 47 AWR zijn ingesteld in kwesties waarin aan de betrokken belastingplichtigen ook reeds dwangsommen zijn opgelegd.

Staatssecretaris Wiebes for President?

Brief van 17 januari 2017 van Staatssecretaris Wiebes aan de Tweede Kamer over de aanpak van belastingontduiking. In deze brief doet Staatssecraris Wiebes zijn toezegging aan de Tweede Kamer gestand om met een aantal maatregelen te komen tegen belastingontduiking. Door de media is het bericht over de afschaffing van de inkeerregeling opgepakt, maar er staan meerdere onderwerpen in die aandacht behoeven zoals een beperking van het verschoningsrecht en de openbaarmaking van medeplegersboetes.

Of deze maatregelen derhalve daadwerkelijk goed doordacht zijn of slechts onderdeel van een campagne voor de verkiezingen valt dus nog te bezien. Wij zullen deze ontwikkelingen voor u op de voet volgen.

Gelijke monniken gelijke kappen

Het Europese verdedigingsbeginsel is inmiddels ook in de Nederlandse belastingpraktijk doorgedrongen. Regelmatig dient de belastingrechter zich dan ook te buigen over de vraag of het verdedigingsbeginsel is geschonden én of dit tot vernietiging van de bewuste belastingaanslag leidt. Toch wordt het Europeesrechtelijke verdedigingsbeginsel niet op alle belastingen toegepast. Dat is vanuit het oogpunt van rechtsbescherming een ongewenste situatie. Gelijke monniken gelijke kappen!

De omkering van de bewijslast: informatiebeschikking en vereiste aangifte

Hof ’s-Hertogenbosch geeft verkeerde uitleg aan arrest Hoge Raad over informatiebeschikking, maar tracht duidelijkheid te scheppen in rechtspraak over vereiste aangifte. Dit mag best een schepje meer zijn.

Vind artikelen over...

Hertoghs Beschouwt ontvangen?

{{messageError}}
{{messageSuccess}}