"Wij geloven in teamwork en maken daarmee de ketting zo sterk als de sterkste schakel"

Rondetafelgesprek digitale economie - 20 februari 2019

Op 20 februari 2019 heeft Roelof Vos op uitnodiging deelgenomen aan een rondetafelgesprek (hoorgesprek) met leden van de vaste commissie Financiën van de Tweede Kamer over de belastingheffing van de digitale economie. 

De commissie Financiën heeft op 11 april 2018 besloten de leden Sneller (D66) en Alkaya (SP) te benoemen tot rapporteur voor twee voorstellen van de Europese Commissie (EC) over het belasten van de digitale economie: een digitaledienstenbelasting en een belasting voor significante digitale aanwezigheid. De digitaledienstenbelasting is een belasting van 3 procent over het deel van de bruto-omzet van een bedrijf dat voortkomt uit bepaalde digitale activiteiten. De belasting op digitale aanwezigheid is een winstbelasting (vennootschapsbelasting) voor ondernemingen die digitale diensten leveren. De EC ziet de belasting op digitale aanwezigheid als langetermijnoplossing en de digtaledienstenbelasting als interim-maatregel tot het moment dat er consensus is over een mondiale langetermijnoplossing.

Hieronder doen wij verslag van hetgeen Roelof Vos op 20 februari 2019 aan de commissie heeft verteld.

“Ik dank de commissie allereerst hartelijk voor de uitnodiging hier te verschijnen: meestal acteer ik als advocaat namelijk pas in het handhavingstraject van regelgeving.

Mijn deskundigheid ziet vooral op de omzetbelasting. Ik geef u dan ook mijn visie op de invoering van een Digitale Diensten Belasting (Digital Services Tax/DST):

  • Als het bedoeld is als tijdelijke belasting, leert de historie dat tijdelijke belastingen doorgaans nogal hardnekkig permanent zijn. Eenmaal ingevoerd is de kans groot dat die heffing niet meer verdwijnt. Ook al is er een eindtermijn vastgesteld. Het btw-systeem dat we met het opheffen van de fiscale grenzen in 1993 is ingevoerd was bedoeld als tijdelijke regeling. Dit zou in 1997 vervangen worden door een definitief systeem maar Is er nu nog. Net zoals het kwartje van Kok zou ook leiden tot een tijdelijke heffing verhoging van de accijns op benzine. Op verdere vragen hierover van de commissie heb ik gezegd dat ik een tijdelijke heffing eerder als een belemmering voor regelgeving op de lange termijn zie dan dat dat de tijdelijke regeling de wens om tot een definitieve oplossing zal komen zal stimuleren. De druk is er dan simpelweg af.
  • Als de huidige winstbelasting te ouderwets is geworden voor de belastingheffing van de digitale economie, ligt het voor mij voor de hand dat je in die sfeer ook de oplossing zoekt. Pak het probleem aan daar waar het zit. Pas dus de winstbelasting aan. En kom niet met een ‘plakbandbelasting’ als de digitale diensten belasting: niet op EU-niveau en ook niet als Nederlandse heffing. En misschien kom je aan het eind van de rit wel tot de conclusie dat je de winstbelasting beter kunt afschaffen. Aangezien dit wel een hele lange termijn gebeuren is, laat ik behandeling daarvan verder achterwege.
  • De digitale dienstenbelasting is een omzetbelasting, immers de belasting wordt geheven over de omzet. Bij een omzetbelasting zie je doorgaans dat die wordt doorberekend in de prijs. Dus wie probeer je hier te treffen: de bedrijven? Grote kans dat de consument de rekening krijgt gepresenteerd. Digitale producten worden al met 21% btw belast. Daar komt dan nog 3% extra bij. 
  • Dan rijst ook meteen de vraag: is een dergelijke omzetbelasting geoorloofd. Immers de BTW-richtlijn verbiedt in art. 401 andere belastingen die het karakter hebben van een omzetbelasting. Als je naar de rechtspraak van het HvJ kijkt is de kans groot dat ook deze heffing aan de rechter zal worden voorgelegd. Wel met een hele kleine kans op succes. Het HvJ legt het begrip verboden omzetbelasting nogal beperkt uit. Regelmatig worden nationale omzetbelastingen aan het Hof voorgelegd en het aantal zaken waarin het Hof tot de conclusie komt dat sprake is van een verboden omzetbelasting is vrij klein.
  • Een rechtsvraag die ik verwacht die ook aan de rechter zal worden voorgelegd is wat de rechtvaardiging voor de drempel van Euro 750 mio wereldwijde omzet en Euro 50 mio EU omzet? Je richt je dan op een hele selecte groep: vanuit het oogpunt van belastingneutraliteit lijkt mij het lastig te rechtvaardigen dat alleen de grote ondernemingen worden getroffen. En ook of alleen bepaalde diensten worden belast;
  • Denk ook nog aan mogelijke discussie binnen WTO-verband dat de digitale dienstenbelasting als een handelsbeperkende maatregel moet worden gezien.
  • Betekent in elk geval een lange periode van rechtsonzekerheid omdat de toelaatbaarheid van de belasting juridisch zal worden uitgeknokt. De bedrijven die de belasting moeten betalen hebben daar in elk geval het geld wel voor.
  • Ik vind het ook wel een vorm van grensverkennend gedrag door de wetgever: de grenzen van het wettelijk toelaatbare opzoeken met zo’n tweede omzetbelasting. Als je niet wilt dat belastingplichtigen grenzen opzoeken, doe dat dan als overheid zelf ook niet.
  • Heel belangrijk is de rechtsbescherming voor bedrijven. Als verschillende landen een heffing invoeren ligt het risico van dubbele heffing op de loer. Dat vereist een heldere en effectieve geschilbeslechting. Dan denk ik aan zowel arbitrage maar ook mediation. Zonder duidelijke rechtsbescherming geen wet.
  • Mijn visie: ga vooral op mondiaal niveau met de OESO en zo aan de slag, zorg voor een moderne winstbelasting en laat een kwestieuze nationale heffing achterwege.”

 

Heeft u vragen over de Digitax? Neem dan contact op met Roelof Vos of Reinder de Jong.


25/02/2019 categorie: Nieuws


Naar overzicht