ďPassie voor het recht, inleven in de positie van mijn cliŽnt, doordachte juridische argumenten vinden - dat is wat mij drijft.Ē

Jaarverslag Hoge Raad 2018

De Hoge Raad heeft ook over het jaar 2018 een jaarverslag opgesteld. Daarin wordt benadrukt dat de Hoge Raad zich richt op rechtsvorming. Opvallend is dat de Hoge Raad als zaken met maatschappelijke betekenis de grondrechten noemt. De box 3-heffing bij onteigening van SNS-aandelen wordt genoemd om te illustreren dat de rechter wel bescherming biedt tegen inbreuken op grondrechten. Het zou mooi zijn als dat een voorbode is voor de toetsing van de huidige box 3-heffing aan artikel 1 EP, EVRM. Ook onder het huidige systeem komen situaties voor waarin box 3-heffing verschuldigd is waar nauwelijks rendement wordt behaald. De Hoge Raad benadrukt verder het belang van de mogelijkheid voor de feitenrechter om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

Jaarverslag Hoge Raad 2018

Het jaarverslag van de Hoge Raad is weer gepubliceerd. 2018 was een bijzonder jaar voor de Hoge Raad. Dit was het jaar was waarin de Hoge Raad 180 jaar bestond. Ook het wetenschappelijk bureau (WB) van de Hoge Raad had in 2018 een feestje te vieren: het bestond 40 jaar.

Uit het jaarverslag blijkt dat de belastingkamer van de Hoge Raad 724 uitspraken in 2018 deed. 272 zaken zijn inhoudelijk afgedaan, 131 zaken met een artikel 80a Wet RO-afdoening en 321 zaken met artikel 81 Wet RO.

Ook in het jaar 2018 ziet de Hoge Raad rechtsvorming als zijn kerntaak. De Hoge Raad heeft zich in 2018 gebogen over een groot aantal zaken waarin rechtsvragen speelden met grote maatschappelijke betekenis. De Hoge Raad benoemt twee onderwerpen: grondrechten en de op de zaak betrekking hebbende stukken in het kader van digitalisering.

Grondrechten

In het jaarverslag wordt ingegaan op de reikwijdte van grondrechten in belastingzaken. De Hoge Raad merkt op dat in belastingzaken relatief vaak een beroep wordt gedaan op artikel 1 EP van het EVRM. Vanwege de ‘wide margin of appreciation’ die de wetgever toekomt, worden dergelijken beroepen vaak ongegrond verklaard. De indruk ontstaat dat dat de praktische betekenis van bescherming door de rechter tegen inbreuken op grondrechten gering is. De Hoge Raad illustreert aan de hand van twee arresten dat dat niet terecht is.

In het eerste arrest gaat het om de box 3-heffing en de onteigening van SNS aandelen. De Hoge Raad oordeelde in die zaak onder meer dat de onteigening behoort tot de omstandigheden van het geval aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of sprake is van een individuele en buitensporige last die op grond van artikel 1 EP EVRM achterwege behoort te blijven. Het tweede arrest gaat over de verhuurderheffing bij mede-eigendom. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat de uitkomst van de verhuurderheffing voor de belanghebbenden willekeurig is en dat het een onaanvaardbare inbreuk maakt op het discriminatieverbod in de mensenrechtenverdragen. Opvallend is dat de Hoge Raad in beide zaken geen rechtsregels formuleerde om de inbreuk op de grondrechten op te heffen. De Hoge Raad is van oordeel dat die keuze aan de wetgever overgelaten moet worden.

Digitaal dossier

De rechtsvormende taak van de Hoge Raad komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de arresten over het inbrengen van de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Awb). De Hoge Raad illustreert aan de hand van een aantal arresten dat ook de Hoge Raad meegaat in de tijd van de toenemende digitalisering, wat direct een effect heeft op het (belasting)recht. Zie ook Hertoghs Beschouwt spoorboekje bij inzage.

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

De Hoge Raad benadrukt dat ook de mogelijkheid voor feitenrechters om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen bijdraagt aan de rechtsontwikkeling. Uit het jaarverslag blijkt dat in het jaar 2018 in zes zaken prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld en dat in drie zaken de vragen zijn beantwoord. In de literatuur is diverse keren gesignaleerd dat feitenrechters niet snel geneigd zijn prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stellen, terwijl daarmee sneller duidelijkheid in een procedure kan worden verkregen. De oorzaak van deze terughoudendheid is niet duidelijk. Wel blijft het voor zowel de procespartijen als de feitenrechters van belang na te gaan of een zaak zich leent voor het stellen van vragen aan de Hoge Raad en die vraag ter zitting te bespreken. Als een rechtsvraag speelt is het goed in een vroeg stadium na te gaan of de zaak zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en prikkel de rechtbank dan om die vraag te stellen door daar in een vroeg stadium om te verzoeken. Daarbij is het belangrijk te motiveren waarom de rechtsvraag zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen. Zie ook Hertoghs beschouwt Prejudiciële vragen aan Hoge Raad.


16/04/2019 categorie: Nieuws


Naar overzicht