Eindarrest HvJ 19 oktober 2017: geen ontduiking van rechten

Mr. A. Wolkers in NLFiscaal 2018/1495

 

Op 29 juni 2018 heeft de Hoge Raad een belangwekkend eindarrest gewezen. De Hoge Raad volgt in dit arrest de ruime uitleg die het HvJ eerder heeft gegeven aan de toepassing van artikel 201, lid 3, tweede alinea, CDW (medeschuldenaarschap in het douanerecht – thans geregeld in artikel 77, lid 3, Douanewetboek van de Unie). Voor de aanwijzing als schuldenaar is niet vereist dat de desbetreffende persoon zelf, direct of indirect, de verkeerde gegevens voor de douaneaangifte aan de douaneautoriteiten heeft verstrekt; eenieder die betrokkenheid heeft gehad bij de frauduleuze structuur kan als douaneschuldenaar worden aangemerkt. Met name deze laatste ruime uitleg roept bij Arjan de vraag op waar de grens van de ruime werking van deze bepaling precies ligt. Het is zeker niet uitgesloten dat – gelet op de ruime formulering die het HvJ aan deze bepaling heeft gegeven – adviseurs die betrokken zijn geweest bij het opzetten of bedenken van een dergelijke structuur ook in de gevarenzone zitten.

Verder besteedt Arjan nog aandacht aan de verlengde navorderingstermijn in het douanerecht, die kan worden toegepast indien de douaneschuld is ontstaan ingevolgde een handeling die, indien deze in Nederland zou zijn verricht, strafrechtelijk vervolgbaar was. Belastingplichtigen verkeren volgens Arjan in een slechte positie, omdat blijkens de tekst van artikel 10:5 Algemene Douanewet vrijwel elke onjuiste handeling in het douanerecht als strafbaar feit kwalificeert.

Lees meer


Naar overzicht